Tag: BOLDcast

boldcast-logo

BOLDcast #4: Wie controleert de technologie?

boldcast-logo
Illustratie: Margriet Osinga

Algoritmes, camera’s, open data, smart cities: data & digitalisering is voor mij een terugkerende fascinatie, en dan vooral in het publieke domein. Het was daarom heerlijk om met gemeenteraadsleden Tim De Boer (Haagse Stadspartij) en Dennis Tak (PvdA Rotterdam) te praten voor de podcast van Leiden-Delft-Erasmus Centre for BOLD Cities. Want is de gemeenteraad wel in staat om al die ontwikkelingen bij te houden en goed te bevragen? Hun conclusie: nee, nee, nee.

Ook onderzoekers Miyabi Babasaki en Jiska Engelbert zijn aanwezig om te duiden hoe het ervoor staat in de politiek. Want waarom wordt heel die digitalisering als een gegeven gezien, en niet kritisch bevraagd?

Lees meer

boldcast-logo

BOLDcast #3: Hoe kunnen data helpen om crises in hoogbouw te bestrijden?

boldcast-logo
Illustratie: Margriet Osinga

Voor Boldcast, de podcast van Centre for BOLD Cities, sprak ik met onderzoeker Monique Arkesteijn en brandweerofficier Maurice de Beer over hoe data kan helpen om crises in hoogbouw te bestrijden. Want, om met Maurice te spreken: “Panden in de digitale werkelijkheid moet je óók onderhouden.”

Panden in de digitale werkelijkheid moet je óók onderhouden

Monique Arkesteijn onderzoekt voor het Centre for Bold Cities hoe data hulpdiensten zoals de brandweer kunnen helpen bij een crisis. Want hoeveel mensen zijn er in het gebouw, en waar bevinden zij zich? Om daarachter te komen, wil Monique alle data verzamelen, zoals van mobiele telefoons, wifi-punten, koffiemachines, ingangspoortjes en liften.

Samen met brandweerman en kennisregisseur Maurice de Beer van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond vertelt Monique in gesprek met Inge Janse hoe die aanpak precies werkt – en tegen welke problemen je daarbij aanloopt. Want waar bevindt al die data zich precies, en hoe vind je een balans tussen volledigheid en privacy? Dat lees je in deze editie van Boldcast, de podcast van het Centre for Bold Cities.

Monique Arkesteijn is assistent professor of real estate management bij de TU Delft, en samen met haar collega’s van het Centre for BOLD Cities onderzoekt zij hoe hoge gebouwen beter met crises om kunnen gaan, zoals brand.

Maurice Beer werkt al meer dan 25 jaar bij de veiligheidsregio Rotterdam Roermond, tegenwoordig als officier van dienst, maar ook als kennisregisseur en beleidsmedewerker onderzoek en analyse.

Wat is het probleem dat de brandweer heeft bij calamiteiten in hoogbouw, zoals brand?

Maurice: Gebouwen van tijdens de wederopbouw leken op elkaar. Daar kon de brandweer uitstekend procedures voor opzetten, zodat we wisten waar we in het pand moesten zijn om de brand op te lossen. Maar door de technologische vooruitgang zie je dat we steeds hoger en complexer zijn gaan bouwen. Ook het gebruik wordt complexer. Vroeger had je ‘gewoon’ een bejaardentehuis, dan wist je dat mensen niet zo makkelijk konden vluchten. Maar tegenwoordig zie je allerlei combinaties ontstaan: werken, leren, wonen, alles gaat tegenwoordig in één gebouw, zoals in De Rotterdam. Alleen wordt bij al die innovatie- en ontwikkeldrift niet altijd gekeken naar de veiligheid. De wet stelt ook slechts minimale eisen aan de brandveiligheid. Daar maak ik me zorgen over, ook omdat we allemaal het verhaal kennen van de brand in de Grenfell Tower in Londen.

Welke rol kan data spelen bij het oplossen van dat probleem?

Maurice: Hoeveel mensen zijn er binnen? Moeten we hen eerst redden, of kunnen we direct het incident zelf bestrijden? Dat zijn cruciale vragen die we onszelf stellen. Als brandweer willen we bij een incident graag weten hoeveel mensen er naar binnen en buiten zijn gegaan, zodat we kunnen inschatten hoeveel mensen er nog binnen zijn. Maar ook: op welke verdieping zitten ze? En zitten ze daar veilig? Data kan helpen bij het antwoord daarop. Als je bijvoorbeeld hier het World Port Center binnenkomt, dan ga je door een poortje. Er zijn ook smart apparaten op de vloeren, zoals thermostaten en rookmelders. Vaak kunnen we bij een brand die data pas aflezen als we in het gebouw zijn. Hoe mooi zou het zijn als je tijdens je aanrijdtijd van zes minuten die data al krijgt?

Daarbij hadden we ook de vraag hoe je al die informatie bij de brandweer onder de aandacht brengt. Want zijn wij wel in staat om zo’n bak data in zes minuten te verwerken tot nuttige informatie voor de brandweermensen? Daarom wilden we hier onderzoek naar laten doen.

Monique, hoe ben jij hierbij betrokken geraakt?

Monique: Ik maak ontwerp- en beslissystemen, dus hoe je alle betrokken actoren, die allemaal iets anders willen, bij elkaar kunt brengen. De brandweer wil bijvoorbeeld een systeem dat aan die en deze eis voldoet, terwijl de gebouweigenaar dat minder belangrijk vindt. Dan kunnen er tegengestelde belangen ontstaan. Ik heb een methode ontwikkeld die helpt om daarmee om te gaan.

Onderzoekers vanuit de Erasmus Universiteit keken naar de sociale kant van dit probleem. Want willen mensen eigenlijk wel hun persoonlijke data delen? En hoe kunnen we die data anoniem maken? We hebben ook informatici zoals Jan Rellermeyer van de TU Delft. Hij keek hoe je data kunt combineren en analyseren. Mijn collega Alexander Koutamanis onderzocht hoe bouw-informatiesystemen kunnen helpen om al die informatie samen te brengen. Ik ben de spin in het web die ervoor zorgt dat al die partijen bij elkaar komen en met elkaar betere producten maken.

Hoe breed inzetbaar is deze benadering?

Monique: Ons project is niet alleen voor hoogbouw of voor brand bedoeld, maar kan ook gebruikt worden voor bijvoorbeeld verduurzamingsopgaven. Maar als je iets nieuws wilt ontwikkelen, heb je altijd een noodzaak nodig. Daarom kozen we voor de combinatie van hoogbouw en brand. Daarin komen bovendien veel complexiteiten samen. Als het lukt om het probleem in die situatie op te lossen, dan werkt je oplossing ook voor situaties die eenvoudiger zijn.

En, is dat gelukt?

Monique: Ten dele, maar nog niet helemaal. We zijn begonnen bij De Rotterdam, in de toren waar de gemeente gehuisvest is. We merkten alleen dat de gemeente de data over dat gebouw niet direct beschikbaar had. De data over ventilatie zit bijvoorbeeld in het ene systeem, de reservering voor ruimtes staat in een agenda opgeslagen, en de informatie van de toegangspoortjes bevindt zich bij de receptie. Er zit dus heel veel verschillende informatie bij heel veel verschillende partijen. We hebben daarom eerst het hele systeem in kaart gebracht van waar welke data zich bevindt.

Maurice, als het delen van data levens kan redden, zou je dan soms niet de verantwoordelijke mensen door elkaar willen schudden om mee te helpen?

Maurice: Dat is zo, maar niet bij iedereen is die sense of urgency aanwezig. Een oud spreekwoord bij ons zegt: de brandweer wordt pas geëerd als het aan den lijve deert. Soms moet je dingen eerst meemaken om te beseffen hoe belangrijk ze zijn. Maar ben jij eigenaar van een groot pand met daarin vijfduizend mensen, dan ga jij niet in één keer al die informatie delen. Dat mensen nog moeten wennen aan deze nieuwe, digitale wereld vind ik geen frustratie, eerder een uitdaging.

Welke rol speelt de privacy van mensen hierbij?

Monique: We weten uit onderzoek dat mensen bij een ramp bereid zijn meer te delen dan in normale situaties. Maar dan moet je van tevoren al iets regelen, zodat je bij de ramp de data kan krijgen. Bij dit project kijken we ook naar het sociale aspect. We betrekken alle betrokken partijen bij het verzinnen van het systeem. Zo kan iedereen aangeven onder welke condities zij bereid zijn welke data te delen.

We willen hierbij zo min mogelijk invasief te werk gaan. We leggen bijvoorbeeld bestaande datasets op elkaar om te kijken welke combinatie de beste voorspelling doet over hoeveel mensen er op een verdieping van een gebouw aanwezig zijn. Daarbij willen we niet de meeste lagen combineren, maar de meest effectieve combinatie vinden. Geven drie lagen bij elkaar de beste voorspelling, dan kiezen we daarvoor.

Verder werken we met data die al verzameld wordt. Als je overal extra sensoren moet plaatsen, dan kun je de methode niet opschalen naar andere gebouwen, want dat is gewoon niet haalbaar. We willen dus de informatie benutten die er al is, daarvan zo min mogelijk gebruiken, en het systeem samen met de betrokkenen ontwikkelen.

Hoe ver zijn we nu?

Monique: Conceptueel hebben we bedacht hoe we dit alles willen doen. En we hebben een nieuw project geselecteerd: het Erasmus Medisch Centrum, dat eigenaar is van zijn eigen pand en er als onderzoeksinstituut veel belang bij heeft dat dit goed gebeurt. We vragen nu onderzoekssubsidies aan om hier met elkaar vol voor te gaan.

Het tweede dat we gedaan hebben, is dat we een ecosysteem van bedrijven hebben gemaakt. Eerst werkten alleen de veiligheidsregio, de gemeente Rotterdam en de onderzoekers samen. Maar als je zoiets groots wilt aanpakken, dan heb je allerlei partijen nodig om dat voor elkaar te krijgen.

Wanneer zou dit systeem moeten werken?

Maurice: Ik verwacht dat binnen nu en vijf jaar de juiste informatie beschikbaar en toepasbaar is om leidinggevenden van de brandweer te ondersteunen in hun beslissingen. Denk daarbij aan de juiste data van de rookmelders via de brandmeldcentrale in een gebouw. Als we die informatie vroegtijdig kunnen krijgen en interpreteren, dan maken we al een enorme slag. En na tien, misschien wel vijftien jaar is er een complete digitale Sim City die hulpverleners via data de juiste informatie biedt.

Is de complexiteit een technisch probleem omdat het nog niet kan, of een bestuurlijk probleem omdat partijen nog niet willen?

Monique: Het is én én. Natuurlijk is er de technische uitdaging. Zo zijn er nog heel veel protocollen, dus je kunt data niet zomaar aan elkaar koppelen. Ook is er nog niet van elk gebouw een digitaal 3D-model. En als ze er al zijn, dan zijn ze vaak gemaakt voor de bouwfase, maar niet voor de beheerfase. Er zijn dus nog geen standaarden voor hoe je in zo’n model de informatie zo weergeeft dat de brandweer er wat aan heeft.

Maurice: Het beheer is inderdaad belangrijk. Want wat als je tien verschillende werkelijkheden hebt? Welke is dan de goede? De 3D-modellen moeten dus goed bijgehouden worden. Dat doe je met een echt pand ook: een likje verf erop, nieuwe kozijnen erin, installaties vervangen. Dat moet in de digitale werkelijkheid ook.

boldcast-logo

BOLDcast #2: Wat doen digitale druktemeters met de stad?

boldcast-logo
Illustratie: Margriet Osinga

Hartstikke leuk, al die #corona-apps en -tools die je helpen om te bepalen hoe druk het ergens is. Maar die digitale revolutie voor social distancing heeft ook een keerzijde, stelt Jiska Engelbert in de tweede editie van Boldcast, de #podcast die ik voor Leiden-Delft-Erasmus Centre for BOLD Cities maak over het gebruik van #data voor stedelijke vraagstukken.

Frank Vieveen en Adriaan van der Giessen, verantwoordelijk bij de gemeente Rotterdam voor SpotRotterdam, leggen uit wat deze app precies is en hoe zij proberen hier tóch een inclusief instrument van te maken. Plus: wat heeft de Efteling hier eigenlijk mee te maken? Dat hoor (of lees) je hieronder!

“Kijk extra kritisch naar het zogenaamde probleem dat je oplost met data”

Door Inge Janse

Social distancing. Dat is misschien wel hét woord van het jaar. Data kan daarbij helpen, want via digitale druktemeters kun je mensenmassa’s mijden en veilig de stad doorkruisen. Zo heb je SpotRotterdam, een online app die laat zien hoe druk het in de stad is. Maar het kan er óók voor zorgen dat je je ongewenst voelt in je eigen woonplaats. Hoe oké is dat eigenlijk, zo’n datagedreven slimme app? 

Daarover praat ik in BOLDcast met Jiska Engelbert, Frank Vieveen en Adriaan van der Giessen en Achilleas Psyllidis.  Jiska doet bij de Erasmus Universiteit Rotterdam onderzoek naar onder meer smart cities. Frank en Adriaan werken allebei bij de gemeente Rotterdam aan smart cities: Frank als Programmamanager en Adriaan als Projectmanager. Achilleas is aangesloten bij het LDE Centre for BOLD Cities en heeft een social distancing dashboard ontwikkeld.

Wat is SpotRotterdam en waarom biedt de gemeente Rotterdam die aan?

Frank: SpotRotterdam is een app die bewoners en bezoekers informeert waar het druk is in de stad. Bewoners kunnen zo zelf een beslissing nemen: is het veilig waar ik naartoe wil, of neem ik het risico als het drukker is dan normaal? Wij bieden deze app aan omdat we een enorme terugloop zagen in het winkelbezoek. Mensen waren ook bang om überhaupt naar buiten te gaan. Die stad moet weer open!

We wilden eerst met de bestaande data van Google werken, want dat bedrijf meet de drukte op populaire plekken, van de supermarkt en boekenwinkel tot culturele instellingen en grote parken. Maar die gegevens waren niet nauwkeurig genoeg om de volledige buitenruimte in kaart te brengen. Bovendien: mensen kijken zelf wel in hun Google-app hoe druk het momenteel is in de supermarkt, die data hoeven wij niet aan hen te geven.

Andere gemeenten geven via observaties van bijvoorbeeld vijf locaties de drukte weer op een kaart. Maar daar is Rotterdam te groot voor. Dus wij dachten: wij moeten dit op een andere manier organiseren.

Hoe werkt SpotRotterdam precies?

Adriaan: Gebruikers van specifieke apps, zoals van Buienradar, hebben bij installatie toestemming gegeven om anoniem hun locatiegegevens te delen. Wij krijgen sinds een jaar voor ruim 500 locaties in de stad deze gegevens via de tussenpartij Resono, en weten zo hoe druk het daar is.

We werken daarbij met gemiddelden: is het hier drukker of rustiger dan normaal? Alleen merken we nu dat nieuwe gebruikers, zowel burgers als bezoekers, sommige begrippen van de app anders interpreteren. Zij denken bij ‘drukker’ niet ‘drukker dan normaal’, maar dat het gebied helemaal volstaat met mensen. Die bewoording passen we daarom aan.

Frank: De ontwikkeling van SpotRotterdam is iets waar we weinig ervaring mee hadden. We zien het daarom heel erg als een leerproces: hoe gaan we om met leveranciers van data, de interpretatie hiervan, en zijn waardes wel correct? Daar hebben we onderling felle en forse discussies over gehad. Ook keek er van begin af aan een privacy officer mee van de gemeente.

Hebben jullie van tevoren doelen gesteld aan SpotRotterdam qua gebruikers en impact?

Adriaan: Nee, want we konden niet zomaar via social media de app promoten. De gemeente heeft een vaste planning voor dat soort promoties. Bovendien waren we vanwege corona afhankelijk van ontwikkelingen in de samenleving. Hoe heftig is het aantal besmettingen in de stad, zijn er net nieuwe maatregelen van kracht? Daardoor konden we niet ongelimiteerd naar buiten om ons product te promoten. We treden weer naar buiten met nieuwe campagnes als de geplande verbeteringen zijn doorgevoerd.

Gaven we meer bekendheid aan de app, dan zagen we een paar honderd gebruikers per dag, met uitschieters rond Black Friday van 1200. De afgelopen weken, zonder actieve promotie of campagnes, zitten we in een goed weekend rond de 150 à 200 bezoekers per dag. Op een regenachtige woensdag zijn dat er misschien 80.

Hoeveel zin heeft deze app nog als deze zomer de samenleving gevaccineerd is?

Frank: Deze app is ontstaan vanuit de corona-gedachte dat iedereen veilig de straat op moet kunnen, maar we zien wel degelijk een toekomst voor andere toepassing. We kunnen zo dadelijk bijvoorbeeld laten zien hoe druk het is bij toeristische attracties. Zo willen we mensen op een positieve manier blijven informeren over de stad.

Wat zijn de belangrijkste lessen die je geleerd hebt uit deze app?

Adriaan: We werken met een testpanel voor de ontwikkeling van de app. Tot nu toe gaven we vooral veel aandacht aan mensen met een audiovisuele beperking. We komen er nu achter hoe belangrijk het is dat dit panel divers genoeg is. We moeten ons bewust zijn van de kleurrijkheid van de stad en haar bewoners, want iedere tint geeft nieuwe tips. Zo kwam de onjuiste interpretatie van begrippen pas na een langere gebruiksperiode naar boven. Dat was een blinde vlek in ons testpanel.

Frank: SpotRotterdam heeft onze organisatie veel geleerd. We wilden zo snel mogelijk alle data en databewerking binnenboord halen, omdat we niet afhankelijk willen zijn van leveranciers en vendor lock in. In dat proces hebben we flinke stappen gemaakt. De app is daardoor een voorbeeld geworden in de interne bewustwordingscampagne over hoe we als gemeente met data en apps omgaan.

Jiska, jij doet onderzoek naar onder meer de smart city, iets waar je ook regelmatig kritisch over publiceert in bijvoorbeeld het Rotterdamse magazine Vers Beton. In een van die columns vergeleek jij SpotRotterdam met de Efteling (zie presentatie hieronder). Hoe werkt dat?

Ik waarschuw dat het sprookje van de Efteling ook een dystopie kan worden voor Rotterdam. Digitale druktemeters zoals SpotRotterdam hebben namelijk een bepaald idee van waar de stad voor is. Als deze app zegt ‘de stad moet open!’, dan gaat het vooral over winkels en klanten, en bij nieuwe toepassingen wordt nagedacht over drukte voor toeristen. De stad wordt zo een een canvas voor consumptie.

Bovendien: als toerist zou ik het heus fijn vinden om te weten hoe druk het is bij de kubuswoningen, of dat er een wachtrij staat bij een museum. Maar het is wachten op een slimme uitbater die zegt: wacht eens even, ik kan ook een product aanbieden waarbij jij nét iets meer voor dat kaartje betaalt, waarna jij de rij voorbij kunt lopen. Daardoor verdwijnt ook de mogelijkheid tot spontane ontmoetingen en gebeurtenissen, terwijl die juist horen bij een stad.

Is dat niet enkel een luxeprobleem? Voor wie is dit nadelig?

SpotRotterdam suggereert dat iedereen kan denken: dit winkelbezoek kan nog wel even wachten, of deze reis vind ik niet zo’n goed idee. Maar lang niet iedereen heeft die ruimte van tijd en ruimte. De app houdt te weinig rekening met mensen die de stad gebruiken om doorheen te reizen voor hun werk, maar met name ook – zeker in tijden van corona – om een veilige plek buiten hun huis te vinden. We weten ook, onder meer door onderzoek van de Erasmus Universiteit Rotterdam en de gemeente Rotterdam, hoe ongelofelijk belangrijk die fysieke leefomgeving is. Er is heel veel behoefte aan letterlijk ‘hangen’ op straat. Maar dat is het type ‘crowds’ dat de gemeente blijkbaar niet heel graag wil zien.

Hoe had de app beter kunnen werken?

Vooropgesteld: ik vind de app hartstikke leuk, interessant en veilig. Ik zou alleen willen dat SpotRotterdam ook beschrijft wat zijn doel is. En dat is niet ‘meer ruimte in de stad voor alle Rotterdammers’, maar ‘ruimte voor Rotterdammers die graag hun boodschappen willen blijven doen en hun cappuccino’s willen blijven kopen’. Want alleen zíj kunnen zien of het drukker dan normaal is.

Waar ik daarom voor pleit, is om niet te beginnen met een testpanel dat de app test, maar om een vertegenwoordiging van de stad bijeen te brengen voor de vraag ‘wat is het probleem?’. Dat kan zijn dat het moeilijk is om op anderhalve meter samen te zijn. Maar dat heeft, zo kan ik me voorstellen, meer te maken met de beperkte publieke openbare ruimte dan alleen maar de drukte in en rondom winkels en restaurants. Vervolgens kun denken: voor welk probléém kun je een oplossing bedenken? De vervolgstap is dan om de verschillende bestemmingen van de app, zoals ‘winkelen’ of picknicken’, uit te breiden met ‘je huis ontvluchten’ of ‘met vrienden hangen’. Omdat die ontbreken, lijken dat nu ongewenste manieren om de stad te gebruiken. Maar ook dát is waar de publieke ruimte van Rotterdam voor is.

Adriaan: We hebben dat niet als specifieke categorieën opgenomen om de app gebruiksvriendelijk te houden, en dus geen lange lijsten van keuzes te geven. Maar het is zeker een goed punt om te kijken of de bestaande categorieën voldoen.

Jiska: Maar dat dit probleem niet eerder naar voren is gekomen in het testpanel is een gangbaar fenomeen binnen het gebruik van digitale technologie binnen gemeenten. Er ligt meestal al een blueprint of een prototype voor de toepassing, en dan wordt een heel breed palet aan vertegenwoordigers gevraagd om iets te zeggen over de gebruiksvriendelijkheid. Maar het testen wat je van een smaak cola vindt, is heel wat anders dan het stellen van de vraag ‘wat wil jij eigenlijk drinken?’. Kijk dus voortaan extra kritisch naar wat het zogenaamde probleem is dat je oplost met je digitale applicatie.

Die gedachtegang kun je ook doortrekken naar de rest van de publieke ruimte. Van wie zijn eigenlijk de straten? En parkeerplekken? Niet alleen van auto’s, die hebben enkel het recht om daar geparkeerd te worden. Ik zou het heel leuk vinden als er een app komt die aangeeft wanneer er een plekje vrij is op een publieke parkeerplaats om lekker in je tuinstoel te zitten. Maar dan loop je tegen een enorme muur van bureaucratie en regelgeving op.

Mijn belangrijkste advies geldt ook voor mezelf: wees je ervan bewust hoe je naar de stad kijkt. Het is logisch dat de afdeling voor economische innovatie een andere blik heeft dan een wetenschapper die onderzoek doet naar de publieke buitenruimte. Wil je dus een echt breed testpanel hebben, zorg dan dat je die blik tot de kern van de discussie maakt. Zo kom je erachter: wat willen we van de stad, voor wie is de stad, en hoe kan digitale technologie daarbij helpen?

BOLDcast is de podcast van het Leiden-Delft-Erasmus Centre for BOLD Cities. Dit onderzoekscentrum, een samenwerking  van de Universiteit Leiden, TU Delft en Erasmus Universiteit Rotterdam, doet onderzoek naar de mogelijke inzet van data voor stedelijke vraagstukken, en de vragen en ethische kwesties die daarmee gepaard gaan. In BOLDcast bespreekt journalist Inge Janse deze vraagstukken en de rol die data daarbij kan spelen met BOLD Cities-onderzoekers en hun samenwerkingspartners.

boldcast-logo

BOLDcast #1: Datagedreven re-integratie in Rotterdam, zo werkt dat

boldcast-logo
Illustratie: Margriet Osinga

Voor Leiden-Delft-Erasmus Centre for BOLD Cities maak ik een nieuwe podcastserie: BOLDcast. Hierin kijk ik welke rol (open en big) data kan spelen bij maatschappelijke vraagstukken – en welke gevaren daarbij komen kijken.

In de eerste editie: re-integratie op de arbeidsmarkt is een notoir lastig vraagstuk. Data kan daarbij helpen, maar mag dat ook altijd? En welke gevaren liggen daarbij op de loer? Liesbet van Zoonen (wetenschappelijk directeur van het Centre for BOLD Cities) en Maarten van Kooij (strategisch adviseur Werk & Inkomen bij de gemeente Rotterdam) vertellen over hun ervaringen. “Veranderingen gaan gewoon niet zo snel als iedereen denkt.”

Lees meer