Categorie: Journalistiek

Waterwegverhalen - podcast Inge Janse en Dore van Duivenbode voor Open Rotterdam

Podcast Waterwegverhalen #1: Het Noordereiland, een dorp in de stad

Waterwegverhalen - podcast Inge Janse en Dore van Duivenbode voor Open RotterdamEen nieuwe podcast! Samen met mijn favoriete audio-collega Dore van Duivenbode maak ik voor OPEN Rotterdam en 150 jaar Nieuwe Waterweg vijf wandelingen langs de Nieuwe Maas om de rivier en haar buren beter te leren kennen.

In de eerste aflevering ga ik op stap met Fadime Oğuz, bekend van lunchroom Fadi op het Noordereiland. Ze vertelt over haar angst voor het water, de liefde voor de Willemsbrug en waarom iedereen eerst bij haar langskomt voordat ze een huis op dit eiland in de stad betrekken.

De podcast beluister je hieronder. In de andere vier afleveringen doen we Hoek van Holland, Rozenburg, Schiedam en het eiland van Brienenoord aan. Tot daar!

 

Ik moest direct aan Fadi denken toen ik in mijn hoofd groef naar wie ik op het Noordereiland wilde uitnodigen. Fadi is namelijk dé plek waar iedereen op het Noordereiland naartoe gaat. Dat komt niet alleen door het heerlijke, veelal zelfgekookte eten dat ze serveert. Fadi is de innemendheid zelve. Nooit boos, nooit geïrriteerd, altijd met een immense glimlach en met een groot hart. Fadi kent daardoor niet alleen dagjesmensen die het eiland aandoen, maar ook een grote schare vaste gasten van de vele kantoren die het Noordereiland rijk is.

Maar Fadi is óók de vrouw die zelf altijd in Vreewijk is blijven wonen. “Werk en wonen moet je niet combineren, dan komt het te dichtbij”, legt zij tijdens de wandeling uit. Het is niet de enige ontboezeming die zij tijdens onze wandeling doet. Waarom komt iedereen die op het Noordereiland wil komen wonen eerst naar haar toe? Hoe overleeft zij De Nieuwe Maas terwijl ze bang is van water? Wat vindt ze van het steeds hoger wordende water dat over de kades klotst? Waarom vraagt de gemeente haar om met haar lunchroom naar centrum of het oude noorden te komen? En wordt het niet eens tijd dat we toegeven dat de Willemsbrug mooier is dan de Erasmusbrug?

We starten onze wandeling in Fadi’s, waar nog net voor vertrek haar man weggestuurd wordt.

Waterwegverhalen - route Noordereiland

Over de podcast Waterwegverhalen
In Waterwegverhalen gaan journalisten Dore van Duivenbode en Inge Janse op stap met Rotterdammers die verbonden zijn met het water van de Nieuwe Waterweg. Deze rivier verbindt al 150 jaar het gebied tussen Hoek van Holland en het Eiland van Brienenoord. Wat zijn de gevolgen van deze ‘snelweg’ die de stad doorkruist? En hoe is het om hieraan te wonen? Van ondernemers aan de kade tot arbeiders in de haven: loop en luister met ons mee in onze vijf-delige podcast-serie, en je zult de Nieuwe Waterweg nooit meer hetzelfde ervaren.

Waterwegverhalen is een podcast van OPEN Rotterdam en wordt mede mogelijk gemaakt door 150 Jaar Vooruit Nieuwe Waterweg, een reeks verhalen over leven langs en met de rivier. Meer afleveringen luisteren? Zoek dan in je favoriete podcastapp naar OPEN Rotterdam en abonneer je op dit kanaal.

Chemie Magazine - Marjan van Loon - Shell

Marjan van Loon, Shell Nederland: “Je kan mij een katalysator noemen”

Chemie Magazine - Marjan van Loon - ShellVoor Chemie Magazine, het magazine van de Vereniging van de Nederlandse Chemie, sprak ik met Marjan van Loon, directeur van Shell Nederland, over waarom zij zo graag in de chemie werkt, en wat zij geleerd heeft van haar carrière. “Beperk jezelf niet, doe geen deuren dicht die nog niemand van je vraagt om te sluiten, maar ga voor alle kansen die je krijgt.”

Lees meer

Inge Janse - SKG Jaarcongres 2022

“Maak eens een keuze die u pijn doet”

Inge Janse - SKG Jaarcongres 2022Uitvoeringskracht. Dat thema stond centraal tijdens het SKG Jaarcongres op 31 maart. Als adjunct-hoofdredacteur van Gebiedsontwikkeling.nu sloot ik de dag af met een gebed voor precies het omgekeerde: inleverkracht.

“Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten, En zit in ’t binnenst van mijn ziel ten troon.”

Als je een kans ziet om Willem Kloos te citeren, dan moet je dat doen. Gelukkig mocht ik een zaal vol gebiedsontwikkelaars toespreken over waarom ze ook niet té vol moeten zijn van hun eigen ideeën, en daar past die goeie ouwe Willem prima bij.

Bovendien kun je de jongen wel uit de bible belt halen, maar de bible belt niet uit de jongen – en dus sloot ik af met een gebed.

Inge Janse voordracht Column SKG Jaarcongres 2022

“Maak eens een keuze die u pijn doet”

Uitvoeringskracht. Dat klinkt stoer. Dingen doen! Meters maken! Handen uit de mouwen! Niet lullen maar poetsen! Of, vrij naar Daniel Koerhuis: uitvoeren, uitvoeren, uitvoeren!

En het lijkt nog nodig ook. Want: verzwaring elektriciteitsnet. Uitbreiding zoetwatervoorziening. Biodiversiteit vergroten. Windmolens en zonnepanelen intekenen. Klimaatresistentie inbouwen. Bedrijven een plek geven. Natuur uitbreiden. Sociale inclusiviteit realiseren. En, oh ja, een miljoen woningen.

Je zou het maar moeten uitvoeren.

Gelukkig zitten we daarvoor bij elkaar. Om aan te pakken! Groot denken! Moonshots afvuren!

Toch wil ik u allen op het hart drukken na afloop van dit congres niet op stel en sprong naar uw ontwikkelplaatsen te rennen en spades in de grond te steken. Want volgens mij is er naast uitvoeringskracht nog iets anders nodig, iets dat minimaal even belangrijk is.

Inleverkracht.

Met inleverkracht bedoel ik de kracht om niet alles te doen wat je zelf belangrijk vindt. Wie direct gaat uitvoeren, handelt bijna zonder uitzondering voor zichzelf. ‘Mij lijkt dit een goed idee’, ‘Ik zou hier wel willen wonen’, ‘Voor mij werkt dit’.

Ik heb slecht nieuws: u bent niet de maat der dingen. In 1894 dichtte Willem Kloos daarover: “Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten, En zit in ’t binnenst van mijn ziel ten troon.”

Die zelfverklaarde goden, dat bent u. U, die zo goed bent in uitleglocaties intekenen. Snelwegen verbreden. Bedrijventerreinen transformeren. Met uw MKBA’s en MIRT’s en prognoses van ABF en het Economisch Instituut voor de Bouw. God op uw eigen troon, maar blind voor wat er buiten uw paleis gebeurt.

Dat maakbaarheidsideaal dat in onze liberale wereld leeft wordt schromelijk overschat

Grote woorden, ik weet het. Maar in de vijf jaar dat ik rondloop in dit vakgebied, hoor ik bijna dagelijks die opvatting bevestigd worden. Want het antwoord op de vraag waarom we wel weten wat we moeten doen, maar dat niet lukt, luidt altijd: sectoraal denken. Of, beter gezegd: individueel denken.

Bij inleverkracht moet ik onwillekeurig denken aan het zogeheten sereniteitsgebed van Reinhold Niebuhr, uit de eerste helft van de 20e eeuw, en dat vooral bekend is geworden door zijn adoptie door de Anonieme Alcoholisten.

God, geef mij de kalmte om te aanvaarden wat ik niet kan veranderen, de moed om te veranderen wat ik kan veranderen, en de wijsheid om het verschil tussen beide te zien.

SKG Jaarcongres 2022 column door Inge Janse‘SKG Jaarcongres 2022 column door Inge Janse’ door Sander van Wettum (bron: gebiedsontwikkeling.nu)

Elke sessie van de AA wordt hiermee afgesloten. En terecht. Dat maakbaarheidsideaal dat in onze liberale wereld leeft wordt schromelijk overschat. Ja, op korte termijn werkt het prima. Maar de lange termijn? Slagen die je wint, oorlogen die je verliest.

Want die nieuwe Vinex-locatie neemt heel veel nieuwe vervoersbewegingen en heel weinig biodiversiteit met zich mee.

Want die verbrede snelweg gaat ten koste van de natuur, zowel op de plek van dat nieuwe asfalt als door de uitstoot van al die extra auto’s.

Want die nieuwe woningen in Binckhorst, MerweVierhaven en Hamerkwartier verdringen de bedrijven daar, en daarmee de circulaire ambities.

Ik pleit daarom voor inleverkracht. Het vereist namelijk ook kracht om een keuze te maken die u pijn doet. Gebiedsontwikkeling gaat om de uitvoering van een veel grotere puzzel, en in dat grotere geheel is het soms beter om uw kleine oplossing in te leveren.

Laat ik daarom afsluiten met het sereniteitsgebed, speciaal voor onze vakwereld:

God, geef mij de kalmte om te aanvaarden wat ik niet moet uitvoeren, de moed om uit te voeren wat ik wél moet uitvoeren, en de wijsheid om het verschil tussen beide te zien.

Cover: ‘Inge Janse voordracht Column SKG Jaarcongres 2022’ door Sander van Wettum (bron: gebiedsontwikkeling.nu)

boldcast-logo

BOLDcast #4: Wie controleert de technologie?

boldcast-logo
Illustratie: Margriet Osinga

Algoritmes, camera’s, open data, smart cities: data & digitalisering is voor mij een terugkerende fascinatie, en dan vooral in het publieke domein. Het was daarom heerlijk om met gemeenteraadsleden Tim De Boer (Haagse Stadspartij) en Dennis Tak (PvdA Rotterdam) te praten voor de podcast van Leiden-Delft-Erasmus Centre for BOLD Cities. Want is de gemeenteraad wel in staat om al die ontwikkelingen bij te houden en goed te bevragen? Hun conclusie: nee, nee, nee.

Ook onderzoekers Miyabi Babasaki en Jiska Engelbert zijn aanwezig om te duiden hoe het ervoor staat in de politiek. Want waarom wordt heel die digitalisering als een gegeven gezien, en niet kritisch bevraagd?

Lees meer

Inge Janse - Open Rotterdam - woningbouw Rotterdam

De woning-goochelshow: zeven trucs die de gemeente Rotterdam uithaalt met bouwcijfers

Inge Janse - Open Rotterdam - woningbouw Rotterdam7 goocheltrucs. Zoveel vonden wij er in de discussie over de woningbouw in Rotterdam. En ondertussen weet niemand meer hoe we er écht voorstaan – en dus ook niet welk beleid er nodig is.

Voor Vers Beton en OPEN Rotterdam deden dossiergraafgenie Marianne Klerk en ik de afgelopen maanden onderzoek naar dit onderwerp. Hieronder vind je het resultaat. Je mag zelf kiezen of je de longread van 24 minuten pakt, of mijn allereerste nos-op-3-achtige explainer (autocue voorlezen is écht een vak – red.).

PS Ik was ook op NPO Radio 1 om het onderzoek toe lichten

riek-bakker-co-verdaas-gebiedsontwikkeling.nu

Podcast ‘Gebiedsontwikkeling voor alle leeftijden’ #4: grote projecten met Riek Bakker en Co Verdaas

riek-bakker-co-verdaas-gebiedsontwikkeling.nuAls nieuwe bewoner van Kop van Zuid was een podcast maken met Riek Bakker, moeder alle grote gebiedsontwikkelingen, een groot voorrecht. Samen met hoogleraar gebiedsontwikkeling Co Verdaas vertelt ze voor Gebiedsontwikkeling.nu hoe we ook nu nog grote projecten zoals Kop van Zuid of Leidsche Rijn kunnen realiseren.

(spoiler: it’s the participatie, stupid!)

Maar ook: waarom Vinex-wijken helemaal niet mislukt zijn, haar frustratie over wethouders, haar trucs om ambtenaren mee te krijgen, en haar gebruikersonderzoek vanuit een bakfiets.

Podcast ‘Gebiedsontwikkeling voor alle leeftijden’ #4: grote projecten met Riek Bakker en Co Verdaas

In de interviewserie ‘Gebiedsontwikkeling voor alle leeftijden’ bundelen een junior en een senior-expert hun krachten. Stedenbouwkundige Riek Bakker (de senior) en hoogleraar gebiedsontwikkeling Co Verdaas (de junior) bespreken hoe in deze ingewikkelde tijden grote gebiedsontwikkelingen gerealiseerd moeten worden. “Neem van tevoren goed de tijd om te kijken waar de pijn zit.”

Met een cv waarop functies staan als Tweede Kamerlid, staatssecretaris en dijkgraaf wordt Co Verdaas niet vaak meer als junior van een gesprek beschouwd. Maar aan tafel met Riek Bakker, moeder van de gebiedsontwikkeling in Nederland, legt hij zich snel neer bij de rolverdeling. Dat is ook vanwege hun gezamenlijke voorgeschiedenis. “Mijn eerste baan was bij de gemeente Zwolle als creatief strateeg en projectleider. Riek was het externe geweten voor de stad en het bestuur. In je eerste baan met Riek aan de slag, mooier kan je start het niet zijn.” Kan Bakker de werkdagen met Verdaas zich ook nog zo goed herinneren? Lachend: “Nee, sorry. Dat is gewoon te lang weg.”

Help, ik ben nieuw

Bakker stond aan de wieg van grote gebiedsontwikkelingen als de Kop van Zuid in Rotterdam en Vinex-wijk Leidsche Rijn in Utrecht. Maar hoe krijg je zulke grote projecten in 2022 nog van de grond, met complicaties als versnipperd grondeigendom, tegenstrijdige belangen en meervoudige ruimteclaims?

“Begin zulke projecten met een hardgrondige analyse”, adviseert Bakker. “Hoe zit het politiek, bestuurlijk en ambtelijk. En wat vinden de mensen ervan? Ik heb geleerd dat je altijd met participatie aan de gang moet. Het is de enige manier om uit te vinden wat mensen willen. ‘Vertrouwen’ is het allerbelangrijkste woord bij dit soort projecten. Als de politiek aarzelt, maar je kunt oprecht vertellen dat je de bewoners al zover hebt dat ze het project graag willen, dan krijg je de politiek al een heel eind mee.”

Als je elkaar niet vertrouwt in een complex, langdurig gebeuren, dan gaat het gewoon niet lukken
— Hoogleraar Co Verdaas

Bakker vertelt hoe zij deze tactiek ook toepaste in haar eigen huis. Vanwege de ontwikkeling van de Kop van Zuid verhuisde zij naar Rotterdam. “Ik ontdekte al heel snel dat de mensen verbeelding nodig hadden. Ik had een heel groot huis in het centrum van de stad en veegde daarin een verdieping leeg. Aan de ene kant had ik een maquette staan, aan de andere kant een presentatiezaal met stoeltjes. Drie maanden lang heb ik mensen ontvangen. ‘Help, ik ben nieuw, ik ben een Amsterdammer. Zouden jullie mij willen helpen dit voor elkaar te krijgen?’”

Grotere ellende

Verdaas herkent het belang van participatie vanuit zijn eigen ervaringen in de gebiedsontwikkeling. “Riek benoemt heel veel lagen. De oprechtheid van: ik ben echt open en ik wil snappen hoe het hier zit. Dat is van een waarde voorbij de precieze programmering, de euro’s en de belangen. Je kan een prachtig ontwerp hebben, de beste professionals, geld in overvloed. Maar als je elkaar niet vertrouwt in zo’n complex, langdurig gebeuren, dan gaat het gewoon niet lukken.”

Bakker kent de scepsis over participatie. “Je zou kunnen denken: dat kost tijd en die tijd verliezen we dan. Maar sla je dit proces over, dan lukt een project niet of maar half. Of er begint halverwege gedoe.” De woningbouwcrisis is volgens haar een actueel thema waarin deze dynamiek terugkomt. “Het gaat er niet om: er zijn een miljoen woningen nodig, dus laten we Nederland volgooien. Het gaat erom woonmilieus te krijgen die op een goede plek staan, niet bijten met alle andere problemen die we moeten oplossen, en ervoor zorgen dat mensen kunnen kiezen waar en hoe ze willen wonen. Daar mag je er best een beetje tijd in stoppen om dat voor elkaar te krijgen. Want lukt het niet, dan heb je een veel grotere ellende.”

Als we zulke grote aantallen woningen moeten maken, doe het weer groots
— Stedenbouwkundige Riek Bakker

Als hoogleraar gebiedsontwikkeling krijgt Verdaas vaak de vraag van professionals hoe zij voor dat vertrouwen kunnen zorgen in een (grote) gebiedsontwikkeling. Ondanks al zijn ervaring moet hij het antwoord schuldig blijven. Er is namelijk geen vast recept voor. “Dat is het fascinerende en meteen ook ingewikkelde van ons vakgebied. Ik denk dat gebiedsontwikkeling mensen aantrekt die als ze volgens een handboek twee keer exact hetzelfde moeten doen, gillend gek worden. Het is elke dag opnieuw kijken. Je kan heel veel leren van ervaring, maar als je denkt ‘die aanpak kunnen we kopiëren’, dan ga je de bietenbrug op.”

Breien op een klein stukkie

Afgelopen november kwam ‘De ruimte van Riek’ uit, een boek waarin ze terug- en vooruitkijkt op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland en haar rol daarin. Zijn er in al haar jaren ook projecten of wijken geweest waar ze aan heeft gewerkt waar Bakker met minder trots op terugkijkt? “Bloemkoolwijken. Daar denk je nu van: jeetje, wat hebben we gedaan? Gelukkig zijn die niet op zulke grote schaal gebouwd en zijn die wel te repareren. Het is geen drama.”

De Utrechtse Vinex-wijk Leidsche Rijn beschouwt ze juist als een van de hoogtepunten van haar oeuvre. De negatieve blik waarmee er vaak naar Vinex-wijken wordt gekeken, snapt ze dan ook totaal niet. “Als we zulke grote aantallen woningen moeten maken, doe het weer groots. Ga niet zitten breien op een klein stukkie. Bouw pak hem beet 30 duizend woningen op een goede plek. Neem de tijd ervoor en doe het goed. Dan ben je veel beter af dan met al die kleine plakplaatjes.”

Stedenbouwkundige Riek Bakker (1944) was onder meer directeur Stadsontwikkeling, Stedenbouw en Volkshuisvesting van de gemeente Rotterdam. Ook was zij hoogleraar stedenbouwkunde aan de TU Eindhoven. Bakker is vooral bekend vanwege haar werk aan de Kop van Zuid (Rotterdam) en Leidsche Rijn (Utrecht). In 2021 verscheen haar biografie ‘De ruimte van Riek’ (lees hier onze recensie).

Hoogleraar en dijkgraaf Co Verdaas (1966) was als politicus onder meer gedeputeerde in Gelderland, Tweede Kamerlid en staatssecretaris. Tegenwoordig is hij hoogleraar Gebiedsontwikkeling bij de TU Delft en dijkgraaf in het waterschap Rivierenland. Verdaas publiceert ook regelmatig op Gebiedsontwikkeling.nu.

Planoloog Peter Pelzer: “De korte termijn gaat wel héél vaak voor”

Foto door Ed van Rijswijk

Soms spreek ik iemand waar ik heel blij van word, omdat hij of zij concreet maakt wat ik op abstract niveau voel. Zoals planoloog Peter Pelzer van Universiteit Utrecht, die voor Gebiedsontwikkeling.nu uitlegt waarom we meer oog moeten hebben voor de lange termijn van hoe we ons land inrichten. “Wie is er over vijftig jaar verantwoordelijk voor de waterveiligheid van een nieuwe wijk die nu wordt gebouwd? Hoe ga je er als ontwikkelaar mee om dat de zeespiegel in de toekomst blijft stijgen? Dat gebrek aan ‘toekomstige geduldigheid’ vind ik jammer.”

“De korte termijn gaat wel héél vaak voor”

Volgens planoloog Peter Pelzer moeten gebiedsontwikkelaars meer oog hebben voor de toekomst. Hij schreef daarom een essay waarin hij laat zien hoe alomtegenwoordig de korte termijn is én hoe het anders kan. “Zie de toekomst niet als iets dat erbij komt, maar koppel je bestaansrecht eraan.”

Verantwoordelijk voor de toekomst. Dat is de titel van het essay dat planoloog Peter Pelzer schreef, aangemoedigd door de crises waar we ons in bevinden, zoals met klimaat, biodiversiteit, woningbouw en maatschappelijke ongelijkheid. Want terwijl die crises vragen om lange-termijn-antwoorden, reageren we daarop met korte-termijn-oplossingen – of als konijnen die in de koplampen staren van een aanstormende auto. Er moet dus iets veranderen, willen we de toekomst ten goede keren.

Peter Pelzer is universitair docent planologie en stedelijke toekomsten aan het Departement Sociale Geografie en Planologie en verbonden aan de Urban Futures Studio, beide aan de Universiteit Utrecht. Zijn essay ‘Verantwoordelijk voor de toekomst’ is in november 2021 uitgebracht door uitgeverij Trancity*Valiz. De digitale versie kan gratis gelezen worden; de printeditie kost € 14,50.

“Voor mijn gevoel ligt de sleutel tot verandering in hoe we de toekomst weergeven”, licht hij het essay toe. “In wat voor toekomst willen we leven? Dat stellen we ons nu te weinig voor. We zijn geneigd vooral te zeggen waar we níet naartoe willen, met termen als ‘aardgasvrij’, ‘klimaatneutraal’ en ‘autoluw’. Maar een aanlokkelijk perspectief is dat niet.Tegelijkertijd ervaren onze kinderen de gevolgen van de keuzes die wij nu maken. Kan dat ook anders?”

Impliciete korte termijn

Nu is ‘de toekomst’ nogal iets om verantwoordelijk voor te zijn. Gelukkig ziet hij mogelijkheden, zoals in de ruimtelijke ordening. Dit is bij uitstek een domein waarin de toekomst een grote rol speelt. Want hoewel dé toekomst niet bestaat, halen we die wel voortdurend naar het nu, bijvoorbeeld in omgevingsvisies, scenario’s en maatschappelijke kosten-baten-analyses (mkba’s).

“En neem projectontwikkelaars. Die hebben langetermijn-dna, kijk maar naar hoe geduldig ze zijn als ze grond in bezit hebben.” Dat geduld is er alleen minder wanneer een gebied na ontwikkeling wordt opgeleverd. “Wie is er over vijftig jaar verantwoordelijk voor de waterveiligheid van een nieuwe wijk die nu wordt gebouwd? Hoe ga je er als ontwikkelaar mee om dat de zeespiegel in de toekomst blijft stijgen? Dat gebrek aan ‘toekomstige geduldigheid’ vind ik jammer.”

Eigendom is heilig in Nederland. Het is voor de eeuwigheid, terwijl niemand eeuwig leeft

Pelzer kwam er tijdens het schrijven van het essay steeds beter achter hoezeer de korte termijn – expliciet en impliciet – ingebouwd zit in gebiedsontwikkeling. Zo zorgt de discontovoet, het terugrekenen van toekomstige kosten en baten naar het moment van oplevering, ervoor dat toekomstige baten en kosten minder zwaar wegen dan die in het hier en nu. Of het nou de baten van reistijdvermindering of de kosten van waterveiligheid zijn: over twintig jaar zijn ze lager dan die van volgend jaar. Zijn oproep: “Word je ervan bewust dat de korte termijn impliciet ingesleten zit in veel van onze aannames en berekeningen.”

Grondbelasting

Een mogelijke oplossing voor dat kortetermijndenken is volgens hem de grootschalige inzet van tijdelijkheid, op het niveau van decennia. “Eigendom is heilig in Nederland. Het is voor de eeuwigheid, terwijl niemand eeuwig leeft. Maar tussen huur een eeuwigdurend eigendom zit bijna niets.”

Pelzer vindt erfpacht daarom een ‘interessant idee’, omdat de overheid zo eigenaar blijft van de grond. “Ik ben er erg voor dat je het pand bezit, maar het gaat om de grond daaronder. Als over dertig jaar blijkt dat we verstedelijking anders moeten aanpakken, of dat de functie van grond moet veranderen vanwege droogte, dan kan je als overheid nog sturen. Maar als de grond in eigendom is van iemand anders, dan is zo’n verandering van functie veel ingewikkelder.”

The urgent always drives out the important

Een andere oplossing voor het nemen van verantwoordelijkheid voor de toekomst ligt in het (zwaarder) belasten van grondwaarde. “Neem de spooroverkluizing bij Delft of de Noord-Zuidlijn in Amsterdam. De huizen in de buurt zijn enorm gestegen in waarde, terwijl de eigenaars daar niets voor hebben gedaan. De grond werd gewoon meer waard. Waarom zou je daar jaarlijks geen belasting over betalen?” Pelzer snapt dat je zo’n stelselverandering niet niet met een pennestreek kunt invoeren. Hij oppert de optie vooral als pleidooi om de lange termijn serieuzer te nemen: niet alleen in (de veelvuldig gepubliceerde) meeslepende visies, maar ook in daadwerkelijke instutionele arrangementen.

Urgent vs belangrijk

Hoe dat wél kan, illustreert de onderzoeker via een kerk in Lund, een oude universiteitsstad in de buurt van Malmö in de zuidpunt van Zweden. Daar wordt een science village gebouwd met hoge duurzaamheidseisen. De kerk bezit toevallig grond midden in dat gebied. Normaal denkt een kerk mee en verkoopt zij de grond aan de overheid. Ditmaal ging zij zelf ontwikkelen, vanuit de vraag ‘we bestaan hier al duizend jaar, wat kunnen we doen om dat nog duizend jaar te blijven doen?’.

“Dat is heel moeilijk, je kunt geen Excel maken voor de komende duizend jaar. De kerk gaat daarom in gesprek met kunstenaars, filosofen en architecten over wat tijd is, hoe je lang vooruit denkt, en hoe je als kerk je waarden als gastvrijheid en rentmeesterschap inzet. Dat je niet na drie jaar al iets hoeft op te leveren, maakt het vertrekpunt heel bijzonder.“

En ja, het is ook Pelzer niet ontgaan dat er een woningcrisis is, dus dat veel mensen het gevoel hebben dat hier helemaal geen tijd voor is. “Maar the urgent always drives out the important. De kerk laat zich niet van de wijs brengen, maar gebruikt haar opvatting als richtsnoer. Toen een ontwikkelaar haar benaderde met het aanbod ‘we gaan jullie helemaal ontzorgen’, was zij zich juist zorgen gaan maken. Dat zou op de lange termijn helemaal verkeerd gaan.”

Meer kwantificeren

Het probleem van ontwikkelen voor de (verre) toekomst is dat dit in eerste instantie moeilijk kwantificeerbaar is – en daardoor niet realistisch genoeg lijkt. “Natuurlijk zitten er voordelen aan de mkba, want het stimuleert systematisch en precies denken. Maar tegelijkertijd is zij de dronken vrouw die onder de lantaarnpaal naar haar sleutels zoekt omdat daar het licht schijnt. De mkba kijkt vooral naar zaken die met de kennis van nu goed in cijfers uit te drukken zijn, en dan het liefst in geld. Ook voor het Groeifonds, waarbij de overheid 20 miljard investeert in de toekomst van Nederland, wordt weer een mkba gebruikt.”

Durf te experimenteren met vormen die de lange termijn veel serieuzer nemen

Al zijn er ontwikkelingen die langetermijndenken stimuleren. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) maakte bijvoorbeeld ‘Oefenen met de Toekomst’, een scenario-studie naar toekomstige verstedelijking van Nederland. Maar ja. “Het is mijn zorg dat de echte beslissingen in een andere kamer genomen worden.”

Spannend denken

Voor gebiedsontwikkelaars heeft hij drie boodschappen. Ten eerste: neem de lange termijn serieus. “Zie de toekomst niet als iets dat erbij komt, maar koppel je bestaansrecht eraan. Gebrek aan geduld kan ik ontwikkelaars niet verwijten, en in dat langetermijndenken zit een enorme kans, mits het een andere richting krijgt. In welke afschrijvingstermijnen en discontovoeten zit de korte termijn ingebakken? En kun je ook een decennialange verbinding met een gebied aangaan?”

Ten tweede: begrijp dat je de natuur niet kunt overwinnen, maar dat je daar rekening mee moet houden. Ter illustratie wijst hij op water en bodem, twee vitale onderdelen die zich nu tegen ons lijken te keren. “Als het biofysisch systeem er in Nederland in 2060 anders uitziet, bijvoorbeeld met meer extremen en een hoger grondwaterpeil, zorg dat je dan nog bij kunt sturen, bijvoorbeeld door het gebied van functie te laten veranderen.”

“Durf ten derde te experimenteren met vormen die de lange termijn veel serieuzer nemen. Werk met langere afschrijvingstermijnen en tijdelijke toegangsvormen. Maak bijvoorbeeld serieus werk van modulaire bouw en de instutionele arrangementen die daar bij horen.”

Het gaat hem er daarbij ook over voor hoe lang je ergens bouwt en hoe flexibel je daarin bent. “Rijnenburg (waar zowel plannen zijn voor woningbouw als voor windmolens – red.) vind ik heel spannend. Los van de vraag of en wanneer wonen of wind wenselijk is in dit gebied: eerst twintig à dertig jaar windmolens en dan alsnog woningen bouwen vind ik een heel prikkelende manier van denken.”

“Soms zijn er goede redenen om de korte termijn de voorkeur te geven”, besluit Pelzer. “De lange termijn gaat niet vanzelfsprekend voor. Maar nu gaat de korte termijn wel héél vaak voor.”

Rijksbouwmeester Francesco Veenstra: “We moeten moeilijke keuzes maken, en die gaan ook pijn doen”

Foto door Arenda Oomen / College voor Rijksadviseurs

Francesco Veenstra is sinds september de nieuwe Rijksbouwmeester. Voor Gebiedsontwikkeling.nu spraken mijn collega-hoofdredacteur Joost Zonneveld en ik hem. De komende jaren wil hij verbinden en de horizon naar de volgende eeuw verleggen, maar vooral kwaliteit vooropstellen in gebiedsontwikkeling. “De ondergrenzen die we hanteren zijn veel te laag.”

Als architect kijk je vooral naar gebouwen. Hoe kijk je als Rijksbouwmeester naar gebiedsontwikkeling?

Mijn link met gebiedsontwikkeling is meerledig. In het ‘nu’ werk ik samen met twee Rijksadviseurs, Jannemarie de Jonge en Wouter Veldhuis. Zij beslaan de disciplines waar ik minder bekend mee ben: Jannemarie voor landschap, Wouter voor stedenbouw. Een voorwaarde voor mij om de functie van Rijksbouwmeester aan te nemen, was dat binnen het College van Rijksadviseurs deze drie disciplines intensiever samenwerken. Daar geloven wij alle drie in. We moeten werken op een integrerende manier waarbij alle disciplines samenkomen en op de één of andere manier even belangrijk zijn. Wat draagt elke discipline bij aan de ontwikkeling van een gebied, regio of de schaal van het hele land?

En wat is je link met gebiedsontwikkeling in het ‘toen’?

Als afstudeerproject op de Academie van Bouwkunst in Rotterdam deed ik samen met medestudent en vriend Gerrit Schilder de gebiedsontwikkeling van Rotterdam Centraal. Wij hebben naar het gebied als geheel gekeken en de leegte tussen de gebouwen ontworpen, als tegenwicht voor het architectuurgeweld en de projectontwikkeling die toen centraal stonden in gebiedsontwikkeling. Ik geloof erin dat architectuur ondersteunend is voor een gebied. Belangrijker zijn goede ordening en juiste programmering. En zo kijk ik nog steeds naar gebiedsontwikkeling.

Wat is een voorbeeld van een gebiedsontwikkeling in Nederland waar dat goed geslaagd is?

Ik heb zelf gewerkt aan de Spoorzone in Delft, waarbij het viaduct uit de jaren ‘60 is vervangen door ondergrondse spoorwegen. Dat heeft een enorme verbetering van de leefomgeving opgeleverd voor de mensen die er al woonden, maar ook veel nieuwe woningen bovenop het tracé, in combinatie met allerlei verkeersstromen, boven- en ondergronds, én de realisatie van een grote, groene buitenruimte.

Ik wil binnen het ruimtelijke vraagstuk echt inzetten op maatschappelijke thema’s

Slim nadenken over je grondgebruik is één. Een ander belangrijk aspect is de moed, de durf om een heel grote investering te doen die zich niet op een korte termijn terugverdient, maar wel op de lange termijn. Daarvan zijn Spoorzone Delft en de Groene Loper in Maastricht goede voorbeelden. Dit soort investeringen in de gebouwde omgeving is een vorm van solidariteit met toekomstige generaties.

En een voorbeeld van hoe we het echt niet meer moeten doen?

Dichtbij huis noem ik dan het Rivium bij Rotterdam. Dat is een monofunctioneel bedrijventerrein met alleen maar treurige kantoorgebouwen. Er is in de jaren negentig in vijf, zes jaar tijd enorm ontwikkeld met super lage kwaliteit bebouwing, zowel in de architectuur als in het gebruik. Aan de randen van de Binckhorst in Den Haag zie je dat ook. Het probleem is dat je die gebouwen nauwelijks goed kan transformeren, omdat ze zo goedkoop gebouwd zijn en enkel zeer middelmatige kantooromgevingen toestaan. Als ik even moeite doe, dan kan ik zo nog twintig, dertig van zulke locaties in Nederland aanwijzen. Het tijdperk dat we zulke gebieden ontwikkelen en gebouwen bouwen is echt voorbij.

Bij je voorganger, Floris Alkemade, waren maatschappelijke thema’s leidend voor de oplossing van ruimtelijke opgaven. Wat kunnen we van jou verwachten?

Ik wil binnen het ruimtelijke vraagstuk echt inzetten op maatschappelijke thema’s. Cruciaal daarin is de enorme stapeling aan ruimteclaims. We weten nu al dat we geen ruimte hebben om die allemaal een plek te geven. Dat betekent dat we beslissingen moeten nemen over waar we voorrang geven aan welk gebruik van de schaarse ruimte. Die beslissingen zullen niet makkelijk zijn.

Dit soort investeringen in de gebouwde omgeving is een vorm van solidariteit met toekomstige generaties

Het risico dat we lopen – en dat is hoe het tot op heden altijd is gegaan omdat er ruimte beschikbaar was – is dat we ons de consequenties van gebouwen als interventies op de ruimte niet realiseren. Of het nou een snelweg, een energiestructuur of een Vinex-wijk is. Het spoor in Delft is daar een perfect voorbeeld van; het in de jaren ‘60 aanleggen van een bovengronds viaduct dwars door een voor- en naoorlogs binnenstedelijk gebied en een historisch centrum. We realiseerden ons toen niet dat dat vijftig jaar later niet meer houdbaar zou zijn.

Het nadenken van Jannemarie, Wouter en mij gieten we in een werkprogramma; een programma als agenda voor de komende jaren, voortbordurend op de fundamenten van het vorige College van Rijksadviseurs. We moeten keihard aan de slag met die agenda. Wij stellen dus vooral de vraag: wat wij nu doen, is dat ook een verbetering in de toekomst, of helpt dat ons alleen maar in het hier en nu? Is het antwoord nee, dan moet er iets anders komen om tot een volhoudbare oplossing te komen.

Een lastig punt is dat het College van Rijksadviseurs geen dwingend mandaat heeft. Hoe hard sla je met je vuist op tafel om adviezen realiteit te laten worden?

Ik geloof in samenwerking om perspectieven samen te brengen in een gedeeld en meervoudig perspectief. Concreet betekent dit dat ik niet alleen met de politiek in Den Haag praat, maar ook met de ambtenaren die het beleid ontwikkelen, met kennisinstituten, bedrijven, het onderwijs, met boeren en natuurlijk met burgers. Ik wil snappen welke belangen zij verdedigen en welke doelstellingen zij hebben, voor nu en later. Het is de kunst om al die belangen samen te brengen. Ik geloof daarbij dat al die belangen veel dichter bij elkaar liggen dan hoe dit wordt uitvergroot in de media. Uit die samenwerkingsvorm moeten grondige adviezen komen die op draagvlak kunnen rekenen van de beleidsmakers.

Je wilt polderen?

Nee, dit is niet polderen, dat klinkt vooral als dealen. Het gaat mij om oprechte vragen. Waar zit je mee? Wat heb je nodig? En wat staat je in de weg? Vaak hoor ik zorgen over dat het anders wordt, over verlies en angst het onbekende. Als ruimtelijk ontwerpers hebben we hiervoor het instrument van de verbeelding, waarmee we een toekomstbeeld kunnen schetsen en we mensen een verhaal kunnen meegeven waar ze blij van worden. Daar hebben we hier in Nederland veel te weinig van, een verhaal waar mensen ook echt trots op kunnen zijn.

Is er een ruimtelijke opgave waarvan je zegt: daar moeten we nu mee aan de slag?

Nee, die is er niet, omdat alle ruimtelijke vraagstukken op dit moment voorrang hebben. Of het nu gaat om het klimaat, energie, mobiliteit, economie, landbouw of water: de opgaven waarvoor we staan zijn groot. De noodzakelijke maatregelen raken alle facetten van ons land: waar we wonen, werken en recreëren, hoe we energie opwekken en ons verplaatsen, welk voedsel we verbouwen en waar de natuur ruimte krijgt. En dat alles in een land dat uit zijn voegen barst: alle claims en eisen passen simpelweg niet meer, we zullen anders met onze ruimte om moeten gaan.

Onze werkslogan is ‘De 22e eeuw begint vandaag’

Om op al die vragen een antwoord te geven, moeten we ver vooruitkijken, misschien wel een eeuw vooruit. Dat maakt het mogelijk om te achterhalen wat we nu moeten doen, en vooral: wat we nu níet moeten doen. Onze werkslogan is ‘De 22e eeuw begint vandaag’. Omdat we er in geloven dat iedere interventie nu – woningen bouwen, wegen verbreden en zonneparken aanleggen – enorme impact heeft over een veel langere periode dan we ons kunnen voorstellen.

We willen daarom gesprekken initiëren in zogenoemde toekomstateliers. Die ateliers geven ons de mogelijkheid integrerend naar scenario’s te kijken. Hoe verdienen we over honderd jaar ons geld? Wat eten we over honderd jaar? Hoe verplaatsen we ons? Hoe gaan we om met werk? Hoe gaan we om met recreatie? Hoe gaan we om met data, met energie? Het zijn allemaal aspecten die betrekking hebben op ons leven, maar ze hebben een voor een hun weerslag op de ruimte om ons heen. Die scenario’s kunnen ons tot denken aanzetten en ook keuzes beïnvloeden in waar wel of niet gaan bouwen. Is het nog verstandig om in de Randstad te bouwen, of moeten we eigenlijk al verplaatsen richting wat we tegenwoordig nog krimpregio’s noemen? Misschien ontstaan er wel enorme groeiregio’s langs de Nederlands-Duitse grens, omdat dat de hoger geleden gebieden in Nederland zijn.

Floris Alkemade zal de boeken ingaan als de man die streed tegen de verrommeling van het landschap. Hoe hoop je dat mensen na je Rijksbouwmeesterschap op jou zullen terugkijken?

In mijn team heb ik dit net besproken: wat willen we nou eigenlijk bereiken? We voelen dat we in een kantelmoment zitten waarin klimaatverandering als belangrijk onderwerp op de agenda staat van alle wereldleiders. Dat kantelpunt moeten we gebruiken om een transitie in ons systeem op gang te brengen. Dus als ik over een aantal jaar klaar ben met de klus en deze doorgeef aan anderen, dan mogen mensen mij herinneren als iemand die mee heeft geholpen om betere condities te creëren waarbinnen gebiedsontwikkelingen plaatsvinden, woningen worden neergezet. Dat is één.

Mensen mogen mij ook herinneren als iemand die oprecht de verbinding maakt met verschillende groepen in onze samenleving. Mensen hebben zorgen waar oprechte aandacht voor moet zijn. Daarover ga ik graag met mensen in gesprek, als gelijke gesprekspartner. Naast Rijksbouwmeester ben ik namelijk ook gewoon een burger. Gelukkig wel een optimistische burger. Dat helpt me in mijn nieuwe rol.

Wat betekent die opstelling concreet?

Wij moeten absoluut verder met allerlei vraagstukken rondom de energietransitie, de woningbouwopgave die natuurlijk een enorme klap heeft gehad door het tekort aan productie tijdens de financiële crisis, nieuwe energiehoofdstructuren die er komen, de mobiliteitsvraagstukken die er liggen. Dus wel of niet vergroten van het OV-netwerk, wel of niet verkleinen van het automobiliteitsnetwerk. Vraagstukken rondom stad versus platteland. Waar gaan we bouwen? Is het acceptabel om toch een deel van de groene ruimte in te zetten voor bebouwing? En dan hebben we het altijd over woningen, terwijl in de kantlijn van alle discussies distributiedozen gewoon op weilanden worden gezet, en waar nauwelijks over wordt gesproken. In al die ruimtelijke keuzes moeten wij de moeilijke keuzes maken, en die gaan ook pijn doen.

Wat is zo’n pijnlijke keuze?

Misschien vinden we wel dat er minder nieuwe snelwegen moeten komen. Dat vinden heel veel mensen natuurlijk niet leuk. Maar jaarlijks maken we 120 miljard autokilometers in Nederland. Dat heeft op heel veel verschillende manieren impact op ons dagelijks leven. In Rotterdam, waar ik woon, heeft de auto altijd voorrang op al het andere verkeer. Als je daar goed bij stilstaat is dat best bizar. Je ziet dat Amsterdam langzaamaan een transitie maakt door duizenden parkeerplaatsen uit de binnenstad te halen en door autowegen om te zetten in fietspaden. Dat wordt de toekomst, alleen wil nog niet iedereen aan dat idee wennen.

Autowegen omzetten in fietspaden is de toekomst, alleen wil nog niet iedereen aan dat idee wennen

Ik ga daar zelf ook last van hebben. Ik ben een fervent autorijder en zit niet vaak in de trein. Ook ik moet dus inleveren. Tegelijkertijd woon ik zelf vlakbij de A13, dus inleveren op automobiliteit levert mij zelf ook voordelen in leefbaarheid.

Heb je ook ideologische zaken die je pijn doen?

In een land als Nederland, waar we het hoogste welvaartsniveau van de wereld hebben, moeten we het streven naar de hoogst mogelijke kwaliteit altijd centraal stellen. Maar dat is nog niet vanzelfsprekend, of het nou gaat om de verbouwing van het Binnenhof, de verbreding van de A2 of de inpassing van distributiecentra in het landschap. Kwaliteit is meestal niet het vertrekpunt voor de keuzes die wij maken. Terwijl we wel de middelen hebben om dat te doen. De ondergrenzen die we nu hanteren zijn veel te laag, en de ambities die we hebben te klein. Als Rijksbouwmeester zal ik me inzetten om dat op te krikken.

boldcast-logo

BOLDcast #3: Hoe kunnen data helpen om crises in hoogbouw te bestrijden?

boldcast-logo
Illustratie: Margriet Osinga

Voor Boldcast, de podcast van Centre for BOLD Cities, sprak ik met onderzoeker Monique Arkesteijn en brandweerofficier Maurice de Beer over hoe data kan helpen om crises in hoogbouw te bestrijden. Want, om met Maurice te spreken: “Panden in de digitale werkelijkheid moet je óók onderhouden.”

Panden in de digitale werkelijkheid moet je óók onderhouden

Monique Arkesteijn onderzoekt voor het Centre for Bold Cities hoe data hulpdiensten zoals de brandweer kunnen helpen bij een crisis. Want hoeveel mensen zijn er in het gebouw, en waar bevinden zij zich? Om daarachter te komen, wil Monique alle data verzamelen, zoals van mobiele telefoons, wifi-punten, koffiemachines, ingangspoortjes en liften.

Samen met brandweerman en kennisregisseur Maurice de Beer van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond vertelt Monique in gesprek met Inge Janse hoe die aanpak precies werkt – en tegen welke problemen je daarbij aanloopt. Want waar bevindt al die data zich precies, en hoe vind je een balans tussen volledigheid en privacy? Dat lees je in deze editie van Boldcast, de podcast van het Centre for Bold Cities.

Monique Arkesteijn is assistent professor of real estate management bij de TU Delft, en samen met haar collega’s van het Centre for BOLD Cities onderzoekt zij hoe hoge gebouwen beter met crises om kunnen gaan, zoals brand.

Maurice Beer werkt al meer dan 25 jaar bij de veiligheidsregio Rotterdam Roermond, tegenwoordig als officier van dienst, maar ook als kennisregisseur en beleidsmedewerker onderzoek en analyse.

Wat is het probleem dat de brandweer heeft bij calamiteiten in hoogbouw, zoals brand?

Maurice: Gebouwen van tijdens de wederopbouw leken op elkaar. Daar kon de brandweer uitstekend procedures voor opzetten, zodat we wisten waar we in het pand moesten zijn om de brand op te lossen. Maar door de technologische vooruitgang zie je dat we steeds hoger en complexer zijn gaan bouwen. Ook het gebruik wordt complexer. Vroeger had je ‘gewoon’ een bejaardentehuis, dan wist je dat mensen niet zo makkelijk konden vluchten. Maar tegenwoordig zie je allerlei combinaties ontstaan: werken, leren, wonen, alles gaat tegenwoordig in één gebouw, zoals in De Rotterdam. Alleen wordt bij al die innovatie- en ontwikkeldrift niet altijd gekeken naar de veiligheid. De wet stelt ook slechts minimale eisen aan de brandveiligheid. Daar maak ik me zorgen over, ook omdat we allemaal het verhaal kennen van de brand in de Grenfell Tower in Londen.

Welke rol kan data spelen bij het oplossen van dat probleem?

Maurice: Hoeveel mensen zijn er binnen? Moeten we hen eerst redden, of kunnen we direct het incident zelf bestrijden? Dat zijn cruciale vragen die we onszelf stellen. Als brandweer willen we bij een incident graag weten hoeveel mensen er naar binnen en buiten zijn gegaan, zodat we kunnen inschatten hoeveel mensen er nog binnen zijn. Maar ook: op welke verdieping zitten ze? En zitten ze daar veilig? Data kan helpen bij het antwoord daarop. Als je bijvoorbeeld hier het World Port Center binnenkomt, dan ga je door een poortje. Er zijn ook smart apparaten op de vloeren, zoals thermostaten en rookmelders. Vaak kunnen we bij een brand die data pas aflezen als we in het gebouw zijn. Hoe mooi zou het zijn als je tijdens je aanrijdtijd van zes minuten die data al krijgt?

Daarbij hadden we ook de vraag hoe je al die informatie bij de brandweer onder de aandacht brengt. Want zijn wij wel in staat om zo’n bak data in zes minuten te verwerken tot nuttige informatie voor de brandweermensen? Daarom wilden we hier onderzoek naar laten doen.

Monique, hoe ben jij hierbij betrokken geraakt?

Monique: Ik maak ontwerp- en beslissystemen, dus hoe je alle betrokken actoren, die allemaal iets anders willen, bij elkaar kunt brengen. De brandweer wil bijvoorbeeld een systeem dat aan die en deze eis voldoet, terwijl de gebouweigenaar dat minder belangrijk vindt. Dan kunnen er tegengestelde belangen ontstaan. Ik heb een methode ontwikkeld die helpt om daarmee om te gaan.

Onderzoekers vanuit de Erasmus Universiteit keken naar de sociale kant van dit probleem. Want willen mensen eigenlijk wel hun persoonlijke data delen? En hoe kunnen we die data anoniem maken? We hebben ook informatici zoals Jan Rellermeyer van de TU Delft. Hij keek hoe je data kunt combineren en analyseren. Mijn collega Alexander Koutamanis onderzocht hoe bouw-informatiesystemen kunnen helpen om al die informatie samen te brengen. Ik ben de spin in het web die ervoor zorgt dat al die partijen bij elkaar komen en met elkaar betere producten maken.

Hoe breed inzetbaar is deze benadering?

Monique: Ons project is niet alleen voor hoogbouw of voor brand bedoeld, maar kan ook gebruikt worden voor bijvoorbeeld verduurzamingsopgaven. Maar als je iets nieuws wilt ontwikkelen, heb je altijd een noodzaak nodig. Daarom kozen we voor de combinatie van hoogbouw en brand. Daarin komen bovendien veel complexiteiten samen. Als het lukt om het probleem in die situatie op te lossen, dan werkt je oplossing ook voor situaties die eenvoudiger zijn.

En, is dat gelukt?

Monique: Ten dele, maar nog niet helemaal. We zijn begonnen bij De Rotterdam, in de toren waar de gemeente gehuisvest is. We merkten alleen dat de gemeente de data over dat gebouw niet direct beschikbaar had. De data over ventilatie zit bijvoorbeeld in het ene systeem, de reservering voor ruimtes staat in een agenda opgeslagen, en de informatie van de toegangspoortjes bevindt zich bij de receptie. Er zit dus heel veel verschillende informatie bij heel veel verschillende partijen. We hebben daarom eerst het hele systeem in kaart gebracht van waar welke data zich bevindt.

Maurice, als het delen van data levens kan redden, zou je dan soms niet de verantwoordelijke mensen door elkaar willen schudden om mee te helpen?

Maurice: Dat is zo, maar niet bij iedereen is die sense of urgency aanwezig. Een oud spreekwoord bij ons zegt: de brandweer wordt pas geëerd als het aan den lijve deert. Soms moet je dingen eerst meemaken om te beseffen hoe belangrijk ze zijn. Maar ben jij eigenaar van een groot pand met daarin vijfduizend mensen, dan ga jij niet in één keer al die informatie delen. Dat mensen nog moeten wennen aan deze nieuwe, digitale wereld vind ik geen frustratie, eerder een uitdaging.

Welke rol speelt de privacy van mensen hierbij?

Monique: We weten uit onderzoek dat mensen bij een ramp bereid zijn meer te delen dan in normale situaties. Maar dan moet je van tevoren al iets regelen, zodat je bij de ramp de data kan krijgen. Bij dit project kijken we ook naar het sociale aspect. We betrekken alle betrokken partijen bij het verzinnen van het systeem. Zo kan iedereen aangeven onder welke condities zij bereid zijn welke data te delen.

We willen hierbij zo min mogelijk invasief te werk gaan. We leggen bijvoorbeeld bestaande datasets op elkaar om te kijken welke combinatie de beste voorspelling doet over hoeveel mensen er op een verdieping van een gebouw aanwezig zijn. Daarbij willen we niet de meeste lagen combineren, maar de meest effectieve combinatie vinden. Geven drie lagen bij elkaar de beste voorspelling, dan kiezen we daarvoor.

Verder werken we met data die al verzameld wordt. Als je overal extra sensoren moet plaatsen, dan kun je de methode niet opschalen naar andere gebouwen, want dat is gewoon niet haalbaar. We willen dus de informatie benutten die er al is, daarvan zo min mogelijk gebruiken, en het systeem samen met de betrokkenen ontwikkelen.

Hoe ver zijn we nu?

Monique: Conceptueel hebben we bedacht hoe we dit alles willen doen. En we hebben een nieuw project geselecteerd: het Erasmus Medisch Centrum, dat eigenaar is van zijn eigen pand en er als onderzoeksinstituut veel belang bij heeft dat dit goed gebeurt. We vragen nu onderzoekssubsidies aan om hier met elkaar vol voor te gaan.

Het tweede dat we gedaan hebben, is dat we een ecosysteem van bedrijven hebben gemaakt. Eerst werkten alleen de veiligheidsregio, de gemeente Rotterdam en de onderzoekers samen. Maar als je zoiets groots wilt aanpakken, dan heb je allerlei partijen nodig om dat voor elkaar te krijgen.

Wanneer zou dit systeem moeten werken?

Maurice: Ik verwacht dat binnen nu en vijf jaar de juiste informatie beschikbaar en toepasbaar is om leidinggevenden van de brandweer te ondersteunen in hun beslissingen. Denk daarbij aan de juiste data van de rookmelders via de brandmeldcentrale in een gebouw. Als we die informatie vroegtijdig kunnen krijgen en interpreteren, dan maken we al een enorme slag. En na tien, misschien wel vijftien jaar is er een complete digitale Sim City die hulpverleners via data de juiste informatie biedt.

Is de complexiteit een technisch probleem omdat het nog niet kan, of een bestuurlijk probleem omdat partijen nog niet willen?

Monique: Het is én én. Natuurlijk is er de technische uitdaging. Zo zijn er nog heel veel protocollen, dus je kunt data niet zomaar aan elkaar koppelen. Ook is er nog niet van elk gebouw een digitaal 3D-model. En als ze er al zijn, dan zijn ze vaak gemaakt voor de bouwfase, maar niet voor de beheerfase. Er zijn dus nog geen standaarden voor hoe je in zo’n model de informatie zo weergeeft dat de brandweer er wat aan heeft.

Maurice: Het beheer is inderdaad belangrijk. Want wat als je tien verschillende werkelijkheden hebt? Welke is dan de goede? De 3D-modellen moeten dus goed bijgehouden worden. Dat doe je met een echt pand ook: een likje verf erop, nieuwe kozijnen erin, installaties vervangen. Dat moet in de digitale werkelijkheid ook.