Categorie: Journalistiek

riek-bakker-co-verdaas-gebiedsontwikkeling.nu

Podcast ‘Gebiedsontwikkeling voor alle leeftijden’ #4: grote projecten met Riek Bakker en Co Verdaas

riek-bakker-co-verdaas-gebiedsontwikkeling.nuAls nieuwe bewoner van Kop van Zuid was een podcast maken met Riek Bakker, moeder alle grote gebiedsontwikkelingen, een groot voorrecht. Samen met hoogleraar gebiedsontwikkeling Co Verdaas vertelt ze voor Gebiedsontwikkeling.nu hoe we ook nu nog grote projecten zoals Kop van Zuid of Leidsche Rijn kunnen realiseren.

(spoiler: it’s the participatie, stupid!)

Maar ook: waarom Vinex-wijken helemaal niet mislukt zijn, haar frustratie over wethouders, haar trucs om ambtenaren mee te krijgen, en haar gebruikersonderzoek vanuit een bakfiets.

Podcast ‘Gebiedsontwikkeling voor alle leeftijden’ #4: grote projecten met Riek Bakker en Co Verdaas

In de interviewserie ‘Gebiedsontwikkeling voor alle leeftijden’ bundelen een junior en een senior-expert hun krachten. Stedenbouwkundige Riek Bakker (de senior) en hoogleraar gebiedsontwikkeling Co Verdaas (de junior) bespreken hoe in deze ingewikkelde tijden grote gebiedsontwikkelingen gerealiseerd moeten worden. “Neem van tevoren goed de tijd om te kijken waar de pijn zit.”

Met een cv waarop functies staan als Tweede Kamerlid, staatssecretaris en dijkgraaf wordt Co Verdaas niet vaak meer als junior van een gesprek beschouwd. Maar aan tafel met Riek Bakker, moeder van de gebiedsontwikkeling in Nederland, legt hij zich snel neer bij de rolverdeling. Dat is ook vanwege hun gezamenlijke voorgeschiedenis. “Mijn eerste baan was bij de gemeente Zwolle als creatief strateeg en projectleider. Riek was het externe geweten voor de stad en het bestuur. In je eerste baan met Riek aan de slag, mooier kan je start het niet zijn.” Kan Bakker de werkdagen met Verdaas zich ook nog zo goed herinneren? Lachend: “Nee, sorry. Dat is gewoon te lang weg.”

Help, ik ben nieuw

Bakker stond aan de wieg van grote gebiedsontwikkelingen als de Kop van Zuid in Rotterdam en Vinex-wijk Leidsche Rijn in Utrecht. Maar hoe krijg je zulke grote projecten in 2022 nog van de grond, met complicaties als versnipperd grondeigendom, tegenstrijdige belangen en meervoudige ruimteclaims?

“Begin zulke projecten met een hardgrondige analyse”, adviseert Bakker. “Hoe zit het politiek, bestuurlijk en ambtelijk. En wat vinden de mensen ervan? Ik heb geleerd dat je altijd met participatie aan de gang moet. Het is de enige manier om uit te vinden wat mensen willen. ‘Vertrouwen’ is het allerbelangrijkste woord bij dit soort projecten. Als de politiek aarzelt, maar je kunt oprecht vertellen dat je de bewoners al zover hebt dat ze het project graag willen, dan krijg je de politiek al een heel eind mee.”

Als je elkaar niet vertrouwt in een complex, langdurig gebeuren, dan gaat het gewoon niet lukken
— Hoogleraar Co Verdaas

Bakker vertelt hoe zij deze tactiek ook toepaste in haar eigen huis. Vanwege de ontwikkeling van de Kop van Zuid verhuisde zij naar Rotterdam. “Ik ontdekte al heel snel dat de mensen verbeelding nodig hadden. Ik had een heel groot huis in het centrum van de stad en veegde daarin een verdieping leeg. Aan de ene kant had ik een maquette staan, aan de andere kant een presentatiezaal met stoeltjes. Drie maanden lang heb ik mensen ontvangen. ‘Help, ik ben nieuw, ik ben een Amsterdammer. Zouden jullie mij willen helpen dit voor elkaar te krijgen?’”

Grotere ellende

Verdaas herkent het belang van participatie vanuit zijn eigen ervaringen in de gebiedsontwikkeling. “Riek benoemt heel veel lagen. De oprechtheid van: ik ben echt open en ik wil snappen hoe het hier zit. Dat is van een waarde voorbij de precieze programmering, de euro’s en de belangen. Je kan een prachtig ontwerp hebben, de beste professionals, geld in overvloed. Maar als je elkaar niet vertrouwt in zo’n complex, langdurig gebeuren, dan gaat het gewoon niet lukken.”

Bakker kent de scepsis over participatie. “Je zou kunnen denken: dat kost tijd en die tijd verliezen we dan. Maar sla je dit proces over, dan lukt een project niet of maar half. Of er begint halverwege gedoe.” De woningbouwcrisis is volgens haar een actueel thema waarin deze dynamiek terugkomt. “Het gaat er niet om: er zijn een miljoen woningen nodig, dus laten we Nederland volgooien. Het gaat erom woonmilieus te krijgen die op een goede plek staan, niet bijten met alle andere problemen die we moeten oplossen, en ervoor zorgen dat mensen kunnen kiezen waar en hoe ze willen wonen. Daar mag je er best een beetje tijd in stoppen om dat voor elkaar te krijgen. Want lukt het niet, dan heb je een veel grotere ellende.”

Als we zulke grote aantallen woningen moeten maken, doe het weer groots
— Stedenbouwkundige Riek Bakker

Als hoogleraar gebiedsontwikkeling krijgt Verdaas vaak de vraag van professionals hoe zij voor dat vertrouwen kunnen zorgen in een (grote) gebiedsontwikkeling. Ondanks al zijn ervaring moet hij het antwoord schuldig blijven. Er is namelijk geen vast recept voor. “Dat is het fascinerende en meteen ook ingewikkelde van ons vakgebied. Ik denk dat gebiedsontwikkeling mensen aantrekt die als ze volgens een handboek twee keer exact hetzelfde moeten doen, gillend gek worden. Het is elke dag opnieuw kijken. Je kan heel veel leren van ervaring, maar als je denkt ‘die aanpak kunnen we kopiëren’, dan ga je de bietenbrug op.”

Breien op een klein stukkie

Afgelopen november kwam ‘De ruimte van Riek’ uit, een boek waarin ze terug- en vooruitkijkt op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland en haar rol daarin. Zijn er in al haar jaren ook projecten of wijken geweest waar ze aan heeft gewerkt waar Bakker met minder trots op terugkijkt? “Bloemkoolwijken. Daar denk je nu van: jeetje, wat hebben we gedaan? Gelukkig zijn die niet op zulke grote schaal gebouwd en zijn die wel te repareren. Het is geen drama.”

De Utrechtse Vinex-wijk Leidsche Rijn beschouwt ze juist als een van de hoogtepunten van haar oeuvre. De negatieve blik waarmee er vaak naar Vinex-wijken wordt gekeken, snapt ze dan ook totaal niet. “Als we zulke grote aantallen woningen moeten maken, doe het weer groots. Ga niet zitten breien op een klein stukkie. Bouw pak hem beet 30 duizend woningen op een goede plek. Neem de tijd ervoor en doe het goed. Dan ben je veel beter af dan met al die kleine plakplaatjes.”

Stedenbouwkundige Riek Bakker (1944) was onder meer directeur Stadsontwikkeling, Stedenbouw en Volkshuisvesting van de gemeente Rotterdam. Ook was zij hoogleraar stedenbouwkunde aan de TU Eindhoven. Bakker is vooral bekend vanwege haar werk aan de Kop van Zuid (Rotterdam) en Leidsche Rijn (Utrecht). In 2021 verscheen haar biografie ‘De ruimte van Riek’ (lees hier onze recensie).

Hoogleraar en dijkgraaf Co Verdaas (1966) was als politicus onder meer gedeputeerde in Gelderland, Tweede Kamerlid en staatssecretaris. Tegenwoordig is hij hoogleraar Gebiedsontwikkeling bij de TU Delft en dijkgraaf in het waterschap Rivierenland. Verdaas publiceert ook regelmatig op Gebiedsontwikkeling.nu.

Planoloog Peter Pelzer: “De korte termijn gaat wel héél vaak voor”

Foto door Ed van Rijswijk

Soms spreek ik iemand waar ik heel blij van word, omdat hij of zij concreet maakt wat ik op abstract niveau voel. Zoals planoloog Peter Pelzer van Universiteit Utrecht, die voor Gebiedsontwikkeling.nu uitlegt waarom we meer oog moeten hebben voor de lange termijn van hoe we ons land inrichten. “Wie is er over vijftig jaar verantwoordelijk voor de waterveiligheid van een nieuwe wijk die nu wordt gebouwd? Hoe ga je er als ontwikkelaar mee om dat de zeespiegel in de toekomst blijft stijgen? Dat gebrek aan ‘toekomstige geduldigheid’ vind ik jammer.”

“De korte termijn gaat wel héél vaak voor”

Volgens planoloog Peter Pelzer moeten gebiedsontwikkelaars meer oog hebben voor de toekomst. Hij schreef daarom een essay waarin hij laat zien hoe alomtegenwoordig de korte termijn is én hoe het anders kan. “Zie de toekomst niet als iets dat erbij komt, maar koppel je bestaansrecht eraan.”

Verantwoordelijk voor de toekomst. Dat is de titel van het essay dat planoloog Peter Pelzer schreef, aangemoedigd door de crises waar we ons in bevinden, zoals met klimaat, biodiversiteit, woningbouw en maatschappelijke ongelijkheid. Want terwijl die crises vragen om lange-termijn-antwoorden, reageren we daarop met korte-termijn-oplossingen – of als konijnen die in de koplampen staren van een aanstormende auto. Er moet dus iets veranderen, willen we de toekomst ten goede keren.

Peter Pelzer is universitair docent planologie en stedelijke toekomsten aan het Departement Sociale Geografie en Planologie en verbonden aan de Urban Futures Studio, beide aan de Universiteit Utrecht. Zijn essay ‘Verantwoordelijk voor de toekomst’ is in november 2021 uitgebracht door uitgeverij Trancity*Valiz. De digitale versie kan gratis gelezen worden; de printeditie kost € 14,50.

“Voor mijn gevoel ligt de sleutel tot verandering in hoe we de toekomst weergeven”, licht hij het essay toe. “In wat voor toekomst willen we leven? Dat stellen we ons nu te weinig voor. We zijn geneigd vooral te zeggen waar we níet naartoe willen, met termen als ‘aardgasvrij’, ‘klimaatneutraal’ en ‘autoluw’. Maar een aanlokkelijk perspectief is dat niet.Tegelijkertijd ervaren onze kinderen de gevolgen van de keuzes die wij nu maken. Kan dat ook anders?”

Impliciete korte termijn

Nu is ‘de toekomst’ nogal iets om verantwoordelijk voor te zijn. Gelukkig ziet hij mogelijkheden, zoals in de ruimtelijke ordening. Dit is bij uitstek een domein waarin de toekomst een grote rol speelt. Want hoewel dé toekomst niet bestaat, halen we die wel voortdurend naar het nu, bijvoorbeeld in omgevingsvisies, scenario’s en maatschappelijke kosten-baten-analyses (mkba’s).

“En neem projectontwikkelaars. Die hebben langetermijn-dna, kijk maar naar hoe geduldig ze zijn als ze grond in bezit hebben.” Dat geduld is er alleen minder wanneer een gebied na ontwikkeling wordt opgeleverd. “Wie is er over vijftig jaar verantwoordelijk voor de waterveiligheid van een nieuwe wijk die nu wordt gebouwd? Hoe ga je er als ontwikkelaar mee om dat de zeespiegel in de toekomst blijft stijgen? Dat gebrek aan ‘toekomstige geduldigheid’ vind ik jammer.”

Eigendom is heilig in Nederland. Het is voor de eeuwigheid, terwijl niemand eeuwig leeft

Pelzer kwam er tijdens het schrijven van het essay steeds beter achter hoezeer de korte termijn – expliciet en impliciet – ingebouwd zit in gebiedsontwikkeling. Zo zorgt de discontovoet, het terugrekenen van toekomstige kosten en baten naar het moment van oplevering, ervoor dat toekomstige baten en kosten minder zwaar wegen dan die in het hier en nu. Of het nou de baten van reistijdvermindering of de kosten van waterveiligheid zijn: over twintig jaar zijn ze lager dan die van volgend jaar. Zijn oproep: “Word je ervan bewust dat de korte termijn impliciet ingesleten zit in veel van onze aannames en berekeningen.”

Grondbelasting

Een mogelijke oplossing voor dat kortetermijndenken is volgens hem de grootschalige inzet van tijdelijkheid, op het niveau van decennia. “Eigendom is heilig in Nederland. Het is voor de eeuwigheid, terwijl niemand eeuwig leeft. Maar tussen huur een eeuwigdurend eigendom zit bijna niets.”

Pelzer vindt erfpacht daarom een ‘interessant idee’, omdat de overheid zo eigenaar blijft van de grond. “Ik ben er erg voor dat je het pand bezit, maar het gaat om de grond daaronder. Als over dertig jaar blijkt dat we verstedelijking anders moeten aanpakken, of dat de functie van grond moet veranderen vanwege droogte, dan kan je als overheid nog sturen. Maar als de grond in eigendom is van iemand anders, dan is zo’n verandering van functie veel ingewikkelder.”

The urgent always drives out the important

Een andere oplossing voor het nemen van verantwoordelijkheid voor de toekomst ligt in het (zwaarder) belasten van grondwaarde. “Neem de spooroverkluizing bij Delft of de Noord-Zuidlijn in Amsterdam. De huizen in de buurt zijn enorm gestegen in waarde, terwijl de eigenaars daar niets voor hebben gedaan. De grond werd gewoon meer waard. Waarom zou je daar jaarlijks geen belasting over betalen?” Pelzer snapt dat je zo’n stelselverandering niet niet met een pennestreek kunt invoeren. Hij oppert de optie vooral als pleidooi om de lange termijn serieuzer te nemen: niet alleen in (de veelvuldig gepubliceerde) meeslepende visies, maar ook in daadwerkelijke instutionele arrangementen.

Urgent vs belangrijk

Hoe dat wél kan, illustreert de onderzoeker via een kerk in Lund, een oude universiteitsstad in de buurt van Malmö in de zuidpunt van Zweden. Daar wordt een science village gebouwd met hoge duurzaamheidseisen. De kerk bezit toevallig grond midden in dat gebied. Normaal denkt een kerk mee en verkoopt zij de grond aan de overheid. Ditmaal ging zij zelf ontwikkelen, vanuit de vraag ‘we bestaan hier al duizend jaar, wat kunnen we doen om dat nog duizend jaar te blijven doen?’.

“Dat is heel moeilijk, je kunt geen Excel maken voor de komende duizend jaar. De kerk gaat daarom in gesprek met kunstenaars, filosofen en architecten over wat tijd is, hoe je lang vooruit denkt, en hoe je als kerk je waarden als gastvrijheid en rentmeesterschap inzet. Dat je niet na drie jaar al iets hoeft op te leveren, maakt het vertrekpunt heel bijzonder.“

En ja, het is ook Pelzer niet ontgaan dat er een woningcrisis is, dus dat veel mensen het gevoel hebben dat hier helemaal geen tijd voor is. “Maar the urgent always drives out the important. De kerk laat zich niet van de wijs brengen, maar gebruikt haar opvatting als richtsnoer. Toen een ontwikkelaar haar benaderde met het aanbod ‘we gaan jullie helemaal ontzorgen’, was zij zich juist zorgen gaan maken. Dat zou op de lange termijn helemaal verkeerd gaan.”

Meer kwantificeren

Het probleem van ontwikkelen voor de (verre) toekomst is dat dit in eerste instantie moeilijk kwantificeerbaar is – en daardoor niet realistisch genoeg lijkt. “Natuurlijk zitten er voordelen aan de mkba, want het stimuleert systematisch en precies denken. Maar tegelijkertijd is zij de dronken vrouw die onder de lantaarnpaal naar haar sleutels zoekt omdat daar het licht schijnt. De mkba kijkt vooral naar zaken die met de kennis van nu goed in cijfers uit te drukken zijn, en dan het liefst in geld. Ook voor het Groeifonds, waarbij de overheid 20 miljard investeert in de toekomst van Nederland, wordt weer een mkba gebruikt.”

Durf te experimenteren met vormen die de lange termijn veel serieuzer nemen

Al zijn er ontwikkelingen die langetermijndenken stimuleren. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) maakte bijvoorbeeld ‘Oefenen met de Toekomst’, een scenario-studie naar toekomstige verstedelijking van Nederland. Maar ja. “Het is mijn zorg dat de echte beslissingen in een andere kamer genomen worden.”

Spannend denken

Voor gebiedsontwikkelaars heeft hij drie boodschappen. Ten eerste: neem de lange termijn serieus. “Zie de toekomst niet als iets dat erbij komt, maar koppel je bestaansrecht eraan. Gebrek aan geduld kan ik ontwikkelaars niet verwijten, en in dat langetermijndenken zit een enorme kans, mits het een andere richting krijgt. In welke afschrijvingstermijnen en discontovoeten zit de korte termijn ingebakken? En kun je ook een decennialange verbinding met een gebied aangaan?”

Ten tweede: begrijp dat je de natuur niet kunt overwinnen, maar dat je daar rekening mee moet houden. Ter illustratie wijst hij op water en bodem, twee vitale onderdelen die zich nu tegen ons lijken te keren. “Als het biofysisch systeem er in Nederland in 2060 anders uitziet, bijvoorbeeld met meer extremen en een hoger grondwaterpeil, zorg dat je dan nog bij kunt sturen, bijvoorbeeld door het gebied van functie te laten veranderen.”

“Durf ten derde te experimenteren met vormen die de lange termijn veel serieuzer nemen. Werk met langere afschrijvingstermijnen en tijdelijke toegangsvormen. Maak bijvoorbeeld serieus werk van modulaire bouw en de instutionele arrangementen die daar bij horen.”

Het gaat hem er daarbij ook over voor hoe lang je ergens bouwt en hoe flexibel je daarin bent. “Rijnenburg (waar zowel plannen zijn voor woningbouw als voor windmolens – red.) vind ik heel spannend. Los van de vraag of en wanneer wonen of wind wenselijk is in dit gebied: eerst twintig à dertig jaar windmolens en dan alsnog woningen bouwen vind ik een heel prikkelende manier van denken.”

“Soms zijn er goede redenen om de korte termijn de voorkeur te geven”, besluit Pelzer. “De lange termijn gaat niet vanzelfsprekend voor. Maar nu gaat de korte termijn wel héél vaak voor.”

Rijksbouwmeester Francesco Veenstra: “We moeten moeilijke keuzes maken, en die gaan ook pijn doen”

Foto door Arenda Oomen / College voor Rijksadviseurs

Francesco Veenstra is sinds september de nieuwe Rijksbouwmeester. Voor Gebiedsontwikkeling.nu spraken mijn collega-hoofdredacteur Joost Zonneveld en ik hem. De komende jaren wil hij verbinden en de horizon naar de volgende eeuw verleggen, maar vooral kwaliteit vooropstellen in gebiedsontwikkeling. “De ondergrenzen die we hanteren zijn veel te laag.”

Als architect kijk je vooral naar gebouwen. Hoe kijk je als Rijksbouwmeester naar gebiedsontwikkeling?

Mijn link met gebiedsontwikkeling is meerledig. In het ‘nu’ werk ik samen met twee Rijksadviseurs, Jannemarie de Jonge en Wouter Veldhuis. Zij beslaan de disciplines waar ik minder bekend mee ben: Jannemarie voor landschap, Wouter voor stedenbouw. Een voorwaarde voor mij om de functie van Rijksbouwmeester aan te nemen, was dat binnen het College van Rijksadviseurs deze drie disciplines intensiever samenwerken. Daar geloven wij alle drie in. We moeten werken op een integrerende manier waarbij alle disciplines samenkomen en op de één of andere manier even belangrijk zijn. Wat draagt elke discipline bij aan de ontwikkeling van een gebied, regio of de schaal van het hele land?

En wat is je link met gebiedsontwikkeling in het ‘toen’?

Als afstudeerproject op de Academie van Bouwkunst in Rotterdam deed ik samen met medestudent en vriend Gerrit Schilder de gebiedsontwikkeling van Rotterdam Centraal. Wij hebben naar het gebied als geheel gekeken en de leegte tussen de gebouwen ontworpen, als tegenwicht voor het architectuurgeweld en de projectontwikkeling die toen centraal stonden in gebiedsontwikkeling. Ik geloof erin dat architectuur ondersteunend is voor een gebied. Belangrijker zijn goede ordening en juiste programmering. En zo kijk ik nog steeds naar gebiedsontwikkeling.

Wat is een voorbeeld van een gebiedsontwikkeling in Nederland waar dat goed geslaagd is?

Ik heb zelf gewerkt aan de Spoorzone in Delft, waarbij het viaduct uit de jaren ‘60 is vervangen door ondergrondse spoorwegen. Dat heeft een enorme verbetering van de leefomgeving opgeleverd voor de mensen die er al woonden, maar ook veel nieuwe woningen bovenop het tracé, in combinatie met allerlei verkeersstromen, boven- en ondergronds, én de realisatie van een grote, groene buitenruimte.

Ik wil binnen het ruimtelijke vraagstuk echt inzetten op maatschappelijke thema’s

Slim nadenken over je grondgebruik is één. Een ander belangrijk aspect is de moed, de durf om een heel grote investering te doen die zich niet op een korte termijn terugverdient, maar wel op de lange termijn. Daarvan zijn Spoorzone Delft en de Groene Loper in Maastricht goede voorbeelden. Dit soort investeringen in de gebouwde omgeving is een vorm van solidariteit met toekomstige generaties.

En een voorbeeld van hoe we het echt niet meer moeten doen?

Dichtbij huis noem ik dan het Rivium bij Rotterdam. Dat is een monofunctioneel bedrijventerrein met alleen maar treurige kantoorgebouwen. Er is in de jaren negentig in vijf, zes jaar tijd enorm ontwikkeld met super lage kwaliteit bebouwing, zowel in de architectuur als in het gebruik. Aan de randen van de Binckhorst in Den Haag zie je dat ook. Het probleem is dat je die gebouwen nauwelijks goed kan transformeren, omdat ze zo goedkoop gebouwd zijn en enkel zeer middelmatige kantooromgevingen toestaan. Als ik even moeite doe, dan kan ik zo nog twintig, dertig van zulke locaties in Nederland aanwijzen. Het tijdperk dat we zulke gebieden ontwikkelen en gebouwen bouwen is echt voorbij.

Bij je voorganger, Floris Alkemade, waren maatschappelijke thema’s leidend voor de oplossing van ruimtelijke opgaven. Wat kunnen we van jou verwachten?

Ik wil binnen het ruimtelijke vraagstuk echt inzetten op maatschappelijke thema’s. Cruciaal daarin is de enorme stapeling aan ruimteclaims. We weten nu al dat we geen ruimte hebben om die allemaal een plek te geven. Dat betekent dat we beslissingen moeten nemen over waar we voorrang geven aan welk gebruik van de schaarse ruimte. Die beslissingen zullen niet makkelijk zijn.

Dit soort investeringen in de gebouwde omgeving is een vorm van solidariteit met toekomstige generaties

Het risico dat we lopen – en dat is hoe het tot op heden altijd is gegaan omdat er ruimte beschikbaar was – is dat we ons de consequenties van gebouwen als interventies op de ruimte niet realiseren. Of het nou een snelweg, een energiestructuur of een Vinex-wijk is. Het spoor in Delft is daar een perfect voorbeeld van; het in de jaren ‘60 aanleggen van een bovengronds viaduct dwars door een voor- en naoorlogs binnenstedelijk gebied en een historisch centrum. We realiseerden ons toen niet dat dat vijftig jaar later niet meer houdbaar zou zijn.

Het nadenken van Jannemarie, Wouter en mij gieten we in een werkprogramma; een programma als agenda voor de komende jaren, voortbordurend op de fundamenten van het vorige College van Rijksadviseurs. We moeten keihard aan de slag met die agenda. Wij stellen dus vooral de vraag: wat wij nu doen, is dat ook een verbetering in de toekomst, of helpt dat ons alleen maar in het hier en nu? Is het antwoord nee, dan moet er iets anders komen om tot een volhoudbare oplossing te komen.

Een lastig punt is dat het College van Rijksadviseurs geen dwingend mandaat heeft. Hoe hard sla je met je vuist op tafel om adviezen realiteit te laten worden?

Ik geloof in samenwerking om perspectieven samen te brengen in een gedeeld en meervoudig perspectief. Concreet betekent dit dat ik niet alleen met de politiek in Den Haag praat, maar ook met de ambtenaren die het beleid ontwikkelen, met kennisinstituten, bedrijven, het onderwijs, met boeren en natuurlijk met burgers. Ik wil snappen welke belangen zij verdedigen en welke doelstellingen zij hebben, voor nu en later. Het is de kunst om al die belangen samen te brengen. Ik geloof daarbij dat al die belangen veel dichter bij elkaar liggen dan hoe dit wordt uitvergroot in de media. Uit die samenwerkingsvorm moeten grondige adviezen komen die op draagvlak kunnen rekenen van de beleidsmakers.

Je wilt polderen?

Nee, dit is niet polderen, dat klinkt vooral als dealen. Het gaat mij om oprechte vragen. Waar zit je mee? Wat heb je nodig? En wat staat je in de weg? Vaak hoor ik zorgen over dat het anders wordt, over verlies en angst het onbekende. Als ruimtelijk ontwerpers hebben we hiervoor het instrument van de verbeelding, waarmee we een toekomstbeeld kunnen schetsen en we mensen een verhaal kunnen meegeven waar ze blij van worden. Daar hebben we hier in Nederland veel te weinig van, een verhaal waar mensen ook echt trots op kunnen zijn.

Is er een ruimtelijke opgave waarvan je zegt: daar moeten we nu mee aan de slag?

Nee, die is er niet, omdat alle ruimtelijke vraagstukken op dit moment voorrang hebben. Of het nu gaat om het klimaat, energie, mobiliteit, economie, landbouw of water: de opgaven waarvoor we staan zijn groot. De noodzakelijke maatregelen raken alle facetten van ons land: waar we wonen, werken en recreëren, hoe we energie opwekken en ons verplaatsen, welk voedsel we verbouwen en waar de natuur ruimte krijgt. En dat alles in een land dat uit zijn voegen barst: alle claims en eisen passen simpelweg niet meer, we zullen anders met onze ruimte om moeten gaan.

Onze werkslogan is ‘De 22e eeuw begint vandaag’

Om op al die vragen een antwoord te geven, moeten we ver vooruitkijken, misschien wel een eeuw vooruit. Dat maakt het mogelijk om te achterhalen wat we nu moeten doen, en vooral: wat we nu níet moeten doen. Onze werkslogan is ‘De 22e eeuw begint vandaag’. Omdat we er in geloven dat iedere interventie nu – woningen bouwen, wegen verbreden en zonneparken aanleggen – enorme impact heeft over een veel langere periode dan we ons kunnen voorstellen.

We willen daarom gesprekken initiëren in zogenoemde toekomstateliers. Die ateliers geven ons de mogelijkheid integrerend naar scenario’s te kijken. Hoe verdienen we over honderd jaar ons geld? Wat eten we over honderd jaar? Hoe verplaatsen we ons? Hoe gaan we om met werk? Hoe gaan we om met recreatie? Hoe gaan we om met data, met energie? Het zijn allemaal aspecten die betrekking hebben op ons leven, maar ze hebben een voor een hun weerslag op de ruimte om ons heen. Die scenario’s kunnen ons tot denken aanzetten en ook keuzes beïnvloeden in waar wel of niet gaan bouwen. Is het nog verstandig om in de Randstad te bouwen, of moeten we eigenlijk al verplaatsen richting wat we tegenwoordig nog krimpregio’s noemen? Misschien ontstaan er wel enorme groeiregio’s langs de Nederlands-Duitse grens, omdat dat de hoger geleden gebieden in Nederland zijn.

Floris Alkemade zal de boeken ingaan als de man die streed tegen de verrommeling van het landschap. Hoe hoop je dat mensen na je Rijksbouwmeesterschap op jou zullen terugkijken?

In mijn team heb ik dit net besproken: wat willen we nou eigenlijk bereiken? We voelen dat we in een kantelmoment zitten waarin klimaatverandering als belangrijk onderwerp op de agenda staat van alle wereldleiders. Dat kantelpunt moeten we gebruiken om een transitie in ons systeem op gang te brengen. Dus als ik over een aantal jaar klaar ben met de klus en deze doorgeef aan anderen, dan mogen mensen mij herinneren als iemand die mee heeft geholpen om betere condities te creëren waarbinnen gebiedsontwikkelingen plaatsvinden, woningen worden neergezet. Dat is één.

Mensen mogen mij ook herinneren als iemand die oprecht de verbinding maakt met verschillende groepen in onze samenleving. Mensen hebben zorgen waar oprechte aandacht voor moet zijn. Daarover ga ik graag met mensen in gesprek, als gelijke gesprekspartner. Naast Rijksbouwmeester ben ik namelijk ook gewoon een burger. Gelukkig wel een optimistische burger. Dat helpt me in mijn nieuwe rol.

Wat betekent die opstelling concreet?

Wij moeten absoluut verder met allerlei vraagstukken rondom de energietransitie, de woningbouwopgave die natuurlijk een enorme klap heeft gehad door het tekort aan productie tijdens de financiële crisis, nieuwe energiehoofdstructuren die er komen, de mobiliteitsvraagstukken die er liggen. Dus wel of niet vergroten van het OV-netwerk, wel of niet verkleinen van het automobiliteitsnetwerk. Vraagstukken rondom stad versus platteland. Waar gaan we bouwen? Is het acceptabel om toch een deel van de groene ruimte in te zetten voor bebouwing? En dan hebben we het altijd over woningen, terwijl in de kantlijn van alle discussies distributiedozen gewoon op weilanden worden gezet, en waar nauwelijks over wordt gesproken. In al die ruimtelijke keuzes moeten wij de moeilijke keuzes maken, en die gaan ook pijn doen.

Wat is zo’n pijnlijke keuze?

Misschien vinden we wel dat er minder nieuwe snelwegen moeten komen. Dat vinden heel veel mensen natuurlijk niet leuk. Maar jaarlijks maken we 120 miljard autokilometers in Nederland. Dat heeft op heel veel verschillende manieren impact op ons dagelijks leven. In Rotterdam, waar ik woon, heeft de auto altijd voorrang op al het andere verkeer. Als je daar goed bij stilstaat is dat best bizar. Je ziet dat Amsterdam langzaamaan een transitie maakt door duizenden parkeerplaatsen uit de binnenstad te halen en door autowegen om te zetten in fietspaden. Dat wordt de toekomst, alleen wil nog niet iedereen aan dat idee wennen.

Autowegen omzetten in fietspaden is de toekomst, alleen wil nog niet iedereen aan dat idee wennen

Ik ga daar zelf ook last van hebben. Ik ben een fervent autorijder en zit niet vaak in de trein. Ook ik moet dus inleveren. Tegelijkertijd woon ik zelf vlakbij de A13, dus inleveren op automobiliteit levert mij zelf ook voordelen in leefbaarheid.

Heb je ook ideologische zaken die je pijn doen?

In een land als Nederland, waar we het hoogste welvaartsniveau van de wereld hebben, moeten we het streven naar de hoogst mogelijke kwaliteit altijd centraal stellen. Maar dat is nog niet vanzelfsprekend, of het nou gaat om de verbouwing van het Binnenhof, de verbreding van de A2 of de inpassing van distributiecentra in het landschap. Kwaliteit is meestal niet het vertrekpunt voor de keuzes die wij maken. Terwijl we wel de middelen hebben om dat te doen. De ondergrenzen die we nu hanteren zijn veel te laag, en de ambities die we hebben te klein. Als Rijksbouwmeester zal ik me inzetten om dat op te krikken.

boldcast-logo

BOLDcast #3: Hoe kunnen data helpen om crises in hoogbouw te bestrijden?

boldcast-logo
Illustratie: Margriet Osinga

Voor Boldcast, de podcast van Centre for BOLD Cities, sprak ik met onderzoeker Monique Arkesteijn en brandweerofficier Maurice de Beer over hoe data kan helpen om crises in hoogbouw te bestrijden. Want, om met Maurice te spreken: “Panden in de digitale werkelijkheid moet je óók onderhouden.”

Panden in de digitale werkelijkheid moet je óók onderhouden

Monique Arkesteijn onderzoekt voor het Centre for Bold Cities hoe data hulpdiensten zoals de brandweer kunnen helpen bij een crisis. Want hoeveel mensen zijn er in het gebouw, en waar bevinden zij zich? Om daarachter te komen, wil Monique alle data verzamelen, zoals van mobiele telefoons, wifi-punten, koffiemachines, ingangspoortjes en liften.

Samen met brandweerman en kennisregisseur Maurice de Beer van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond vertelt Monique in gesprek met Inge Janse hoe die aanpak precies werkt – en tegen welke problemen je daarbij aanloopt. Want waar bevindt al die data zich precies, en hoe vind je een balans tussen volledigheid en privacy? Dat lees je in deze editie van Boldcast, de podcast van het Centre for Bold Cities.

Monique Arkesteijn is assistent professor of real estate management bij de TU Delft, en samen met haar collega’s van het Centre for BOLD Cities onderzoekt zij hoe hoge gebouwen beter met crises om kunnen gaan, zoals brand.

Maurice Beer werkt al meer dan 25 jaar bij de veiligheidsregio Rotterdam Roermond, tegenwoordig als officier van dienst, maar ook als kennisregisseur en beleidsmedewerker onderzoek en analyse.

Wat is het probleem dat de brandweer heeft bij calamiteiten in hoogbouw, zoals brand?

Maurice: Gebouwen van tijdens de wederopbouw leken op elkaar. Daar kon de brandweer uitstekend procedures voor opzetten, zodat we wisten waar we in het pand moesten zijn om de brand op te lossen. Maar door de technologische vooruitgang zie je dat we steeds hoger en complexer zijn gaan bouwen. Ook het gebruik wordt complexer. Vroeger had je ‘gewoon’ een bejaardentehuis, dan wist je dat mensen niet zo makkelijk konden vluchten. Maar tegenwoordig zie je allerlei combinaties ontstaan: werken, leren, wonen, alles gaat tegenwoordig in één gebouw, zoals in De Rotterdam. Alleen wordt bij al die innovatie- en ontwikkeldrift niet altijd gekeken naar de veiligheid. De wet stelt ook slechts minimale eisen aan de brandveiligheid. Daar maak ik me zorgen over, ook omdat we allemaal het verhaal kennen van de brand in de Grenfell Tower in Londen.

Welke rol kan data spelen bij het oplossen van dat probleem?

Maurice: Hoeveel mensen zijn er binnen? Moeten we hen eerst redden, of kunnen we direct het incident zelf bestrijden? Dat zijn cruciale vragen die we onszelf stellen. Als brandweer willen we bij een incident graag weten hoeveel mensen er naar binnen en buiten zijn gegaan, zodat we kunnen inschatten hoeveel mensen er nog binnen zijn. Maar ook: op welke verdieping zitten ze? En zitten ze daar veilig? Data kan helpen bij het antwoord daarop. Als je bijvoorbeeld hier het World Port Center binnenkomt, dan ga je door een poortje. Er zijn ook smart apparaten op de vloeren, zoals thermostaten en rookmelders. Vaak kunnen we bij een brand die data pas aflezen als we in het gebouw zijn. Hoe mooi zou het zijn als je tijdens je aanrijdtijd van zes minuten die data al krijgt?

Daarbij hadden we ook de vraag hoe je al die informatie bij de brandweer onder de aandacht brengt. Want zijn wij wel in staat om zo’n bak data in zes minuten te verwerken tot nuttige informatie voor de brandweermensen? Daarom wilden we hier onderzoek naar laten doen.

Monique, hoe ben jij hierbij betrokken geraakt?

Monique: Ik maak ontwerp- en beslissystemen, dus hoe je alle betrokken actoren, die allemaal iets anders willen, bij elkaar kunt brengen. De brandweer wil bijvoorbeeld een systeem dat aan die en deze eis voldoet, terwijl de gebouweigenaar dat minder belangrijk vindt. Dan kunnen er tegengestelde belangen ontstaan. Ik heb een methode ontwikkeld die helpt om daarmee om te gaan.

Onderzoekers vanuit de Erasmus Universiteit keken naar de sociale kant van dit probleem. Want willen mensen eigenlijk wel hun persoonlijke data delen? En hoe kunnen we die data anoniem maken? We hebben ook informatici zoals Jan Rellermeyer van de TU Delft. Hij keek hoe je data kunt combineren en analyseren. Mijn collega Alexander Koutamanis onderzocht hoe bouw-informatiesystemen kunnen helpen om al die informatie samen te brengen. Ik ben de spin in het web die ervoor zorgt dat al die partijen bij elkaar komen en met elkaar betere producten maken.

Hoe breed inzetbaar is deze benadering?

Monique: Ons project is niet alleen voor hoogbouw of voor brand bedoeld, maar kan ook gebruikt worden voor bijvoorbeeld verduurzamingsopgaven. Maar als je iets nieuws wilt ontwikkelen, heb je altijd een noodzaak nodig. Daarom kozen we voor de combinatie van hoogbouw en brand. Daarin komen bovendien veel complexiteiten samen. Als het lukt om het probleem in die situatie op te lossen, dan werkt je oplossing ook voor situaties die eenvoudiger zijn.

En, is dat gelukt?

Monique: Ten dele, maar nog niet helemaal. We zijn begonnen bij De Rotterdam, in de toren waar de gemeente gehuisvest is. We merkten alleen dat de gemeente de data over dat gebouw niet direct beschikbaar had. De data over ventilatie zit bijvoorbeeld in het ene systeem, de reservering voor ruimtes staat in een agenda opgeslagen, en de informatie van de toegangspoortjes bevindt zich bij de receptie. Er zit dus heel veel verschillende informatie bij heel veel verschillende partijen. We hebben daarom eerst het hele systeem in kaart gebracht van waar welke data zich bevindt.

Maurice, als het delen van data levens kan redden, zou je dan soms niet de verantwoordelijke mensen door elkaar willen schudden om mee te helpen?

Maurice: Dat is zo, maar niet bij iedereen is die sense of urgency aanwezig. Een oud spreekwoord bij ons zegt: de brandweer wordt pas geëerd als het aan den lijve deert. Soms moet je dingen eerst meemaken om te beseffen hoe belangrijk ze zijn. Maar ben jij eigenaar van een groot pand met daarin vijfduizend mensen, dan ga jij niet in één keer al die informatie delen. Dat mensen nog moeten wennen aan deze nieuwe, digitale wereld vind ik geen frustratie, eerder een uitdaging.

Welke rol speelt de privacy van mensen hierbij?

Monique: We weten uit onderzoek dat mensen bij een ramp bereid zijn meer te delen dan in normale situaties. Maar dan moet je van tevoren al iets regelen, zodat je bij de ramp de data kan krijgen. Bij dit project kijken we ook naar het sociale aspect. We betrekken alle betrokken partijen bij het verzinnen van het systeem. Zo kan iedereen aangeven onder welke condities zij bereid zijn welke data te delen.

We willen hierbij zo min mogelijk invasief te werk gaan. We leggen bijvoorbeeld bestaande datasets op elkaar om te kijken welke combinatie de beste voorspelling doet over hoeveel mensen er op een verdieping van een gebouw aanwezig zijn. Daarbij willen we niet de meeste lagen combineren, maar de meest effectieve combinatie vinden. Geven drie lagen bij elkaar de beste voorspelling, dan kiezen we daarvoor.

Verder werken we met data die al verzameld wordt. Als je overal extra sensoren moet plaatsen, dan kun je de methode niet opschalen naar andere gebouwen, want dat is gewoon niet haalbaar. We willen dus de informatie benutten die er al is, daarvan zo min mogelijk gebruiken, en het systeem samen met de betrokkenen ontwikkelen.

Hoe ver zijn we nu?

Monique: Conceptueel hebben we bedacht hoe we dit alles willen doen. En we hebben een nieuw project geselecteerd: het Erasmus Medisch Centrum, dat eigenaar is van zijn eigen pand en er als onderzoeksinstituut veel belang bij heeft dat dit goed gebeurt. We vragen nu onderzoekssubsidies aan om hier met elkaar vol voor te gaan.

Het tweede dat we gedaan hebben, is dat we een ecosysteem van bedrijven hebben gemaakt. Eerst werkten alleen de veiligheidsregio, de gemeente Rotterdam en de onderzoekers samen. Maar als je zoiets groots wilt aanpakken, dan heb je allerlei partijen nodig om dat voor elkaar te krijgen.

Wanneer zou dit systeem moeten werken?

Maurice: Ik verwacht dat binnen nu en vijf jaar de juiste informatie beschikbaar en toepasbaar is om leidinggevenden van de brandweer te ondersteunen in hun beslissingen. Denk daarbij aan de juiste data van de rookmelders via de brandmeldcentrale in een gebouw. Als we die informatie vroegtijdig kunnen krijgen en interpreteren, dan maken we al een enorme slag. En na tien, misschien wel vijftien jaar is er een complete digitale Sim City die hulpverleners via data de juiste informatie biedt.

Is de complexiteit een technisch probleem omdat het nog niet kan, of een bestuurlijk probleem omdat partijen nog niet willen?

Monique: Het is én én. Natuurlijk is er de technische uitdaging. Zo zijn er nog heel veel protocollen, dus je kunt data niet zomaar aan elkaar koppelen. Ook is er nog niet van elk gebouw een digitaal 3D-model. En als ze er al zijn, dan zijn ze vaak gemaakt voor de bouwfase, maar niet voor de beheerfase. Er zijn dus nog geen standaarden voor hoe je in zo’n model de informatie zo weergeeft dat de brandweer er wat aan heeft.

Maurice: Het beheer is inderdaad belangrijk. Want wat als je tien verschillende werkelijkheden hebt? Welke is dan de goede? De 3D-modellen moeten dus goed bijgehouden worden. Dat doe je met een echt pand ook: een likje verf erop, nieuwe kozijnen erin, installaties vervangen. Dat moet in de digitale werkelijkheid ook.

gebiedsontwikkeling.nu-smart-city-AP

AP: maak burger brein van de smart city

gebiedsontwikkeling.nu-smart-city-APHet klinkt zo hip: de smart city, steden die via sensoren in de publieke ruimte data verzamelen over burgers en bezoekers en zo hun beleid slim vormgeven. De realiteit is niettemin veelzijdiger. Voor Gebiedsontwikkeling.nu ploos ik het onderzoek van Autoriteit Persoonsgegevens (Dutch DPA) uit naar hoe goed twaalf gemeenten bij hun smart city-toepassingen rekening houden met zaken als inbreuk op privacy, nut & noodzaak en democratische controle.

Samenvatting: it’s not a pretty sight. “Zonder aandacht voor deze aspecten loopt de Nederlandse smart city het risico om de burger uit het oog te verliezen en zelfs de rechten en vrijheden van het individu te bedreigen. Dit risico geldt juist in de openbare ruimte, waarin burgers zich vrij en onbespied moeten kunnen wanen.”

Gelukkig is er hoop, mits overheden echt werk maken van inspraak door burgers en tegenmacht door de gemeenteraad. Liesbet van Zoonen (Leiden-Delft-Erasmus Centre for BOLD Cities) doet daarbij nog een duit in de zak over hoe die burgers en politiek precies te betrekken zijn, en waarom je juist in gesprek moet gaan met de grootste anti-technologische luddieten.

Meer lezen

boldcast-logo

BOLDcast #2: Wat doen digitale druktemeters met de stad?

boldcast-logo
Illustratie: Margriet Osinga

Hartstikke leuk, al die #corona-apps en -tools die je helpen om te bepalen hoe druk het ergens is. Maar die digitale revolutie voor social distancing heeft ook een keerzijde, stelt Jiska Engelbert in de tweede editie van Boldcast, de #podcast die ik voor Leiden-Delft-Erasmus Centre for BOLD Cities maak over het gebruik van #data voor stedelijke vraagstukken.

Frank Vieveen en Adriaan van der Giessen, verantwoordelijk bij de gemeente Rotterdam voor SpotRotterdam, leggen uit wat deze app precies is en hoe zij proberen hier tóch een inclusief instrument van te maken. Plus: wat heeft de Efteling hier eigenlijk mee te maken? Dat hoor (of lees) je hieronder!

“Kijk extra kritisch naar het zogenaamde probleem dat je oplost met data”

Door Inge Janse

Social distancing. Dat is misschien wel hét woord van het jaar. Data kan daarbij helpen, want via digitale druktemeters kun je mensenmassa’s mijden en veilig de stad doorkruisen. Zo heb je SpotRotterdam, een online app die laat zien hoe druk het in de stad is. Maar het kan er óók voor zorgen dat je je ongewenst voelt in je eigen woonplaats. Hoe oké is dat eigenlijk, zo’n datagedreven slimme app? 

Daarover praat ik in BOLDcast met Jiska Engelbert, Frank Vieveen en Adriaan van der Giessen en Achilleas Psyllidis.  Jiska doet bij de Erasmus Universiteit Rotterdam onderzoek naar onder meer smart cities. Frank en Adriaan werken allebei bij de gemeente Rotterdam aan smart cities: Frank als Programmamanager en Adriaan als Projectmanager. Achilleas is aangesloten bij het LDE Centre for BOLD Cities en heeft een social distancing dashboard ontwikkeld.

Wat is SpotRotterdam en waarom biedt de gemeente Rotterdam die aan?

Frank: SpotRotterdam is een app die bewoners en bezoekers informeert waar het druk is in de stad. Bewoners kunnen zo zelf een beslissing nemen: is het veilig waar ik naartoe wil, of neem ik het risico als het drukker is dan normaal? Wij bieden deze app aan omdat we een enorme terugloop zagen in het winkelbezoek. Mensen waren ook bang om überhaupt naar buiten te gaan. Die stad moet weer open!

We wilden eerst met de bestaande data van Google werken, want dat bedrijf meet de drukte op populaire plekken, van de supermarkt en boekenwinkel tot culturele instellingen en grote parken. Maar die gegevens waren niet nauwkeurig genoeg om de volledige buitenruimte in kaart te brengen. Bovendien: mensen kijken zelf wel in hun Google-app hoe druk het momenteel is in de supermarkt, die data hoeven wij niet aan hen te geven.

Andere gemeenten geven via observaties van bijvoorbeeld vijf locaties de drukte weer op een kaart. Maar daar is Rotterdam te groot voor. Dus wij dachten: wij moeten dit op een andere manier organiseren.

Hoe werkt SpotRotterdam precies?

Adriaan: Gebruikers van specifieke apps, zoals van Buienradar, hebben bij installatie toestemming gegeven om anoniem hun locatiegegevens te delen. Wij krijgen sinds een jaar voor ruim 500 locaties in de stad deze gegevens via de tussenpartij Resono, en weten zo hoe druk het daar is.

We werken daarbij met gemiddelden: is het hier drukker of rustiger dan normaal? Alleen merken we nu dat nieuwe gebruikers, zowel burgers als bezoekers, sommige begrippen van de app anders interpreteren. Zij denken bij ‘drukker’ niet ‘drukker dan normaal’, maar dat het gebied helemaal volstaat met mensen. Die bewoording passen we daarom aan.

Frank: De ontwikkeling van SpotRotterdam is iets waar we weinig ervaring mee hadden. We zien het daarom heel erg als een leerproces: hoe gaan we om met leveranciers van data, de interpretatie hiervan, en zijn waardes wel correct? Daar hebben we onderling felle en forse discussies over gehad. Ook keek er van begin af aan een privacy officer mee van de gemeente.

Hebben jullie van tevoren doelen gesteld aan SpotRotterdam qua gebruikers en impact?

Adriaan: Nee, want we konden niet zomaar via social media de app promoten. De gemeente heeft een vaste planning voor dat soort promoties. Bovendien waren we vanwege corona afhankelijk van ontwikkelingen in de samenleving. Hoe heftig is het aantal besmettingen in de stad, zijn er net nieuwe maatregelen van kracht? Daardoor konden we niet ongelimiteerd naar buiten om ons product te promoten. We treden weer naar buiten met nieuwe campagnes als de geplande verbeteringen zijn doorgevoerd.

Gaven we meer bekendheid aan de app, dan zagen we een paar honderd gebruikers per dag, met uitschieters rond Black Friday van 1200. De afgelopen weken, zonder actieve promotie of campagnes, zitten we in een goed weekend rond de 150 à 200 bezoekers per dag. Op een regenachtige woensdag zijn dat er misschien 80.

Hoeveel zin heeft deze app nog als deze zomer de samenleving gevaccineerd is?

Frank: Deze app is ontstaan vanuit de corona-gedachte dat iedereen veilig de straat op moet kunnen, maar we zien wel degelijk een toekomst voor andere toepassing. We kunnen zo dadelijk bijvoorbeeld laten zien hoe druk het is bij toeristische attracties. Zo willen we mensen op een positieve manier blijven informeren over de stad.

Wat zijn de belangrijkste lessen die je geleerd hebt uit deze app?

Adriaan: We werken met een testpanel voor de ontwikkeling van de app. Tot nu toe gaven we vooral veel aandacht aan mensen met een audiovisuele beperking. We komen er nu achter hoe belangrijk het is dat dit panel divers genoeg is. We moeten ons bewust zijn van de kleurrijkheid van de stad en haar bewoners, want iedere tint geeft nieuwe tips. Zo kwam de onjuiste interpretatie van begrippen pas na een langere gebruiksperiode naar boven. Dat was een blinde vlek in ons testpanel.

Frank: SpotRotterdam heeft onze organisatie veel geleerd. We wilden zo snel mogelijk alle data en databewerking binnenboord halen, omdat we niet afhankelijk willen zijn van leveranciers en vendor lock in. In dat proces hebben we flinke stappen gemaakt. De app is daardoor een voorbeeld geworden in de interne bewustwordingscampagne over hoe we als gemeente met data en apps omgaan.

Jiska, jij doet onderzoek naar onder meer de smart city, iets waar je ook regelmatig kritisch over publiceert in bijvoorbeeld het Rotterdamse magazine Vers Beton. In een van die columns vergeleek jij SpotRotterdam met de Efteling (zie presentatie hieronder). Hoe werkt dat?

Ik waarschuw dat het sprookje van de Efteling ook een dystopie kan worden voor Rotterdam. Digitale druktemeters zoals SpotRotterdam hebben namelijk een bepaald idee van waar de stad voor is. Als deze app zegt ‘de stad moet open!’, dan gaat het vooral over winkels en klanten, en bij nieuwe toepassingen wordt nagedacht over drukte voor toeristen. De stad wordt zo een een canvas voor consumptie.

Bovendien: als toerist zou ik het heus fijn vinden om te weten hoe druk het is bij de kubuswoningen, of dat er een wachtrij staat bij een museum. Maar het is wachten op een slimme uitbater die zegt: wacht eens even, ik kan ook een product aanbieden waarbij jij nét iets meer voor dat kaartje betaalt, waarna jij de rij voorbij kunt lopen. Daardoor verdwijnt ook de mogelijkheid tot spontane ontmoetingen en gebeurtenissen, terwijl die juist horen bij een stad.

Is dat niet enkel een luxeprobleem? Voor wie is dit nadelig?

SpotRotterdam suggereert dat iedereen kan denken: dit winkelbezoek kan nog wel even wachten, of deze reis vind ik niet zo’n goed idee. Maar lang niet iedereen heeft die ruimte van tijd en ruimte. De app houdt te weinig rekening met mensen die de stad gebruiken om doorheen te reizen voor hun werk, maar met name ook – zeker in tijden van corona – om een veilige plek buiten hun huis te vinden. We weten ook, onder meer door onderzoek van de Erasmus Universiteit Rotterdam en de gemeente Rotterdam, hoe ongelofelijk belangrijk die fysieke leefomgeving is. Er is heel veel behoefte aan letterlijk ‘hangen’ op straat. Maar dat is het type ‘crowds’ dat de gemeente blijkbaar niet heel graag wil zien.

Hoe had de app beter kunnen werken?

Vooropgesteld: ik vind de app hartstikke leuk, interessant en veilig. Ik zou alleen willen dat SpotRotterdam ook beschrijft wat zijn doel is. En dat is niet ‘meer ruimte in de stad voor alle Rotterdammers’, maar ‘ruimte voor Rotterdammers die graag hun boodschappen willen blijven doen en hun cappuccino’s willen blijven kopen’. Want alleen zíj kunnen zien of het drukker dan normaal is.

Waar ik daarom voor pleit, is om niet te beginnen met een testpanel dat de app test, maar om een vertegenwoordiging van de stad bijeen te brengen voor de vraag ‘wat is het probleem?’. Dat kan zijn dat het moeilijk is om op anderhalve meter samen te zijn. Maar dat heeft, zo kan ik me voorstellen, meer te maken met de beperkte publieke openbare ruimte dan alleen maar de drukte in en rondom winkels en restaurants. Vervolgens kun denken: voor welk probléém kun je een oplossing bedenken? De vervolgstap is dan om de verschillende bestemmingen van de app, zoals ‘winkelen’ of picknicken’, uit te breiden met ‘je huis ontvluchten’ of ‘met vrienden hangen’. Omdat die ontbreken, lijken dat nu ongewenste manieren om de stad te gebruiken. Maar ook dát is waar de publieke ruimte van Rotterdam voor is.

Adriaan: We hebben dat niet als specifieke categorieën opgenomen om de app gebruiksvriendelijk te houden, en dus geen lange lijsten van keuzes te geven. Maar het is zeker een goed punt om te kijken of de bestaande categorieën voldoen.

Jiska: Maar dat dit probleem niet eerder naar voren is gekomen in het testpanel is een gangbaar fenomeen binnen het gebruik van digitale technologie binnen gemeenten. Er ligt meestal al een blueprint of een prototype voor de toepassing, en dan wordt een heel breed palet aan vertegenwoordigers gevraagd om iets te zeggen over de gebruiksvriendelijkheid. Maar het testen wat je van een smaak cola vindt, is heel wat anders dan het stellen van de vraag ‘wat wil jij eigenlijk drinken?’. Kijk dus voortaan extra kritisch naar wat het zogenaamde probleem is dat je oplost met je digitale applicatie.

Die gedachtegang kun je ook doortrekken naar de rest van de publieke ruimte. Van wie zijn eigenlijk de straten? En parkeerplekken? Niet alleen van auto’s, die hebben enkel het recht om daar geparkeerd te worden. Ik zou het heel leuk vinden als er een app komt die aangeeft wanneer er een plekje vrij is op een publieke parkeerplaats om lekker in je tuinstoel te zitten. Maar dan loop je tegen een enorme muur van bureaucratie en regelgeving op.

Mijn belangrijkste advies geldt ook voor mezelf: wees je ervan bewust hoe je naar de stad kijkt. Het is logisch dat de afdeling voor economische innovatie een andere blik heeft dan een wetenschapper die onderzoek doet naar de publieke buitenruimte. Wil je dus een echt breed testpanel hebben, zorg dan dat je die blik tot de kern van de discussie maakt. Zo kom je erachter: wat willen we van de stad, voor wie is de stad, en hoe kan digitale technologie daarbij helpen?

BOLDcast is de podcast van het Leiden-Delft-Erasmus Centre for BOLD Cities. Dit onderzoekscentrum, een samenwerking  van de Universiteit Leiden, TU Delft en Erasmus Universiteit Rotterdam, doet onderzoek naar de mogelijke inzet van data voor stedelijke vraagstukken, en de vragen en ethische kwesties die daarmee gepaard gaan. In BOLDcast bespreekt journalist Inge Janse deze vraagstukken en de rol die data daarbij kan spelen met BOLD Cities-onderzoekers en hun samenwerkingspartners.

SKG Studio 2021 - Inge Janse

VROM? Wonen? Ruimte? Nee, het is tijd voor het ministerie van holismerie

SKG Studio 2021 - Inge Janse
Fotograaf: Sander van Wettum

Hoe populair de roep ook klinkt: een minister van VROM, wonen of ruimte gaat de opgaven van nu niet oplossen. Als adjunct-hoofdredacteur van Gebiedsontwikkeling.nu pleitte ik in zijn column voor SKG Studio op 31 maart voor een gloednieuwe, sectoroverstijgende, integrale en toekomstgerichte oplossing. “Want, laten we wel wezen: met goede adviezen alleen plavei je enkel de weg naar de hel – als dat al mag binnen de bestaande stikstofcontouren.”

De tekst gaat verder na de video

Raad van State. Centraal Planbureau. Algemene Rekenkamer. Sociaal en Cultureel Planbureau. Nationale Ombudsman. Planbureau voor de Leefomgeving. Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Raad voor de leefomgeving en infrastructuur. En onze eigen Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling.

Nederland puilt uit van maatschappelijk en wetenschappelijk betrokken adviseurs die gevraagd en ongevraagd de regering helpen. En vrijwel zonder uitzondering is het gros van Nederland het eens met die adviezen.

Maar nog steeds staan we in files. Annuleren we woningbouw omdat er te veel stikstof neerslaat. Lukt het ons met moeite om een paar procent duurzame energie op te wekken. En maakt het financiële systeem het krijgen van een woning voor de meeste mensen onmogelijk. En dat in een van de meest rijke, democratische, gezonde, hoogopgeleide en egalitaire landen ter wereld.

Knap hoor.

Heel knap.

Waren de gevolgen niet zo reëel en voelbaar, dan zou je bijna bewondering krijgen voor zoveel vermogen tot systematisch falen, terwijl we prima weten hoe het wél moet.

Daarom pleit ik tijdens de kabinetsformatie voor een nieuw ministerie.

Ik hoor het u al denken: komt hier nóg een pleidooi voor de terugkeer van het ministerie van VROM? Weer iemand die Stef Bloks historische vergissing om het ministerie van Wonen op te doeken wil rechtzetten? Vrees niet: verre van. Een van die vaak genegeerde adviesorganen, het PBL, analyseerde terecht dat zo’n pleidooi voor de komst van een minister van VROM, Wonen of Ruimtelijke Ordening leuk klinkt, maar dat die minister direct in de clinch komt met provincies en gemeenten, gebonden is aan bestaande afspraken en geen dictator mag worden – en dus de facto weinig tot geen verschil kan maken.

Daarom pleit ik voor iets anders. Want als er ergens geldt dat het geheel meer is dan de som van zijn delen en dat alles onlosmakelijk met elkaar verbonden is, dan is dat wel bij gebiedsontwikkeling – en daarmee bij de mogelijke oplossing voor al die problemen die we hebben met wonen, natuur, energie, mobiliteit en duurzaamheid. Ik pleit daarom voor de komst van een minister van holisme, inclusief bijbehorend ministerie van holismerie.

Dit ministerie bestaat uit al die bestaande slimme en lucide adviesorganen, zodat wat zij zeggen verheven wordt van ‘vrijblijvend advies’ naar ‘verplichte bandbreedte’. Want, laten we wel wezen: met goede adviezen alleen plavei je enkel de weg naar de hel – als dat al mag binnen de bestaande stikstofcontouren.

Elk nieuw wetsvoorstel moet verplicht dit ministerie passeren. Past het voorstel binnen die bandbreedte die de adviseurs geven? Dan mag dit door richting uitvoering. En is het totale kletspraat? Dan moet je terug naar start, je ontvangt geen goedkeuring.

Zo vormt het ministerie van holismerie de Cerberus tussen enerzijds de sprookjeswereld van de electoraal aantrekkelijke Haagse beleidsvorming en door de markt slim bij elkaar gelobbyde initiatieven, en anderzijds de grotemensenrealiteit waar daadwerkelijk voelbare causaliteit bestaat tussen oorzaak en gevolg. Van een ‘rijksaanwijzing’ om te bouwen in Rijnenburg en plannen voor een windmolenpark nabij de dorpskern van Weesp tot de hyperambitieuze doelstellingen van de Omgevingswet en de plaatsing van een kerncentrale in Groningen: niemand krijgt er last van totdat het ministerie van holismerie de wet doorlaat richting de échte wereld.

“Een dictatuur!”, hoor ik u al roepen. “Als je van centrale aansturing houdt, moet je eens kijken hoe het is afgelopen met Noord-Korea en de Sovjet-Unie!“

Goed nieuws! Ik pleit níet voor een dictatuur. Want, let op: dit ministerie zegt níet hoe het moet. Het zorgt enkel voor een holistische blik op de zaken, door voor elk nieuw idee te toetsen of dit past in een sectoroverstijgend en integraal ideaalbeeld van Nederland – nu en in de toekomst.

Want dat willen we toch, sectorale schotten slechten en de zaken integraal benaderen, met oog voor de lange termijn? Dat hoeft nooit meer verkeerd te gaan – met dank aan het ministerie van holismerie.

Inge Janse sprak deze column uit tijden SKG Studio 2021, het online jaarcongres van de Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling. 

PvdA - Henk Nijboer (Esther Dijkstra)

Podcastserie ‘Ruim Keuze’: Tweede Kamerleden vertellen over hun plannen voor ruimtelijke ordening

PvdA - Henk Nijboer (Esther Dijkstra)Woningnood en klimaattransitie zijn twee van de grote thema’s bij de komende verkiezingen. Voor de nieuwe podcastserie ‘Ruim Keuze’ van Gebiedsontwikkeling.nu sprak ik daarom met de woordvoerders ruimtelijke ordening van de 6 grootste partijen in de Tweede Kamer*. Stuk voor stuk vertellen ze over hun plannen voor Nederland én moeten ze kleur bekennen voor 5 dilemma’s. Hopelijk kunnen geïnteresseerden in deze onderwerpen daarmee op 17 maart een nóg beter geïnformeerde keuze maken.

De eerste podcast, met daarin Henk Nijboer van PvdA, is vandaag verschenen. Meer no-nonsense dan dit krijg je het niet. “Ik ben nooit tegen decentralisatie, mensen weten echt wel waar ze dingen willen hebben. Maar ik vind wel dat je nationaal moet zeggen: dit is een natuurgebied of we willen hier zoveel woningen bouwen. Nu is alles op z’n beloop gelaten. Elke gemeente of provincie doet het op de eigen manier en dat wordt een enorm rommelzooitje.”

Met dank aan Esther Dijkstra voor de supermooie illustraties en Jasper Monster voor de redactie en begeleidend schrijven!

*PvdA, SP, CDA, VVD, GroenLinks en D66, enkel de PVV wilde niet meedoen :'(

Dag van de Stad - podcast Fenix

Fenix: podcast over de veerkracht van steden

Dag van de Stad - podcast Fenix#Fenix. Zo heet de podcast die Dore van Duivenbode en ik maken voor De Dag van de Stad 2020. We bezoeken in deze serie 4 steden die een crisis hebben meegemaakt en spreken experts en betrokkenen om te horen wat we daarvan kunnen leren.

In deel 1 gaat Dore naar Leeuwarden vanwege de sociaal-economische crisis en doet mee aan een sportclinic. In eigen stad bezoek ik Marco Pastors, om te horen hoe het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid de ‘on-Nederlandse’ problemen aanpakt.

De komende weken verschijnen nog 3 edities: over Nijmegen (met Jan Rotmans), Heerlen (met Heleen Mees) en Enschede (met Lotte Jensen). Op Spotify, Apple Podcasts, Anchor.fm en Soundcloud blijf je automatisch op de hoogte!

Voor deze podcast verzorgt Dore de redactie en de reportages. Ik ben verantwoordelijk voor de interviews met experts en de montage. Het concept verzonnen we vrolijk samen.