Zo ziet de (groene) toekomst van de Nederlandse chemische industrie eruit

vnci-cm-toekomst-coverVoor het maandblad van de VNCI, Chemie Magazine, mocht ik op onderzoek uit. Mijn missie: uitzoeken hoe de toekomst van de chemische industrie in Nederland eruitziet. Hieruit blijkt dat de industrie op veel manieren probeert fossiele grondstoffen te vervangen door hernieuwbare alternatieven (zoals biomassa en afval), maar dat financiering en wetgeving twee lastige blokkades opwerpen.

Chemie pleit voor garantstellingen en slim beleid

Biobased pilots hopen op steun overheid

Een inventarisatie van de VNCI laat zien dat de Nederlandse chemie veel plannen heeft voor biobased pilotplants en demofabrieken. Financiering en wetgeving vormen niettemin vaak een grote drempel. Pakt het nieuwe Kabinet deze handschoen op?

32 projecten, 9 fasen van volwassenheid, 7 beoogde markten, 6 innovatieve methodes: wie het door de VNCI gemaakte overzicht van de nieuwe initiatieven in de Nederlandse chemie bekijkt, zal het al snel duizelen. Maar wie doorzet, krijgt via het schema een duidelijk beeld van waar het met de chemie naartoe gaat, welke initiatieven het meest kansrijk zijn, en welke externe hulp er nodig is om deze te laten slagen. Want tussen het eureka-moment van een ontdekking en een commerciële fabriek zit een groeiproces vol drempels, valkuilen en andere risico’s.

Beginnend bij het begin: waarom is het belangrijk voor de chemische industrie om veel demo- en pilotprojecten te hebben? Er staat toch al een volwaardige sector in Nederland? Dat weet Willem Sederel, lid van de Beleidsgroep Innovatie van de VNCI en – na 36 jaar bij onder meer Shell, General Electric en SABIC – bestuurslid van het cluster Biobased Delta en voorzitter van het Biorenewables Business Platform. Dat belang is in één woord samen te vatten met ‘biobased’. De chemie wil en moet – onder meer vanwege het klimaatakkoord van Parijs – de overstap maken van fossiele naar groene grondstoffen, maar ziet biobased tegelijkertijd als heel risicovol.

Kostbare exercitie

Dat is niet alleen vanwege de bijbehorende economische uitdagingen, mede door de lage olieprijs. Het echte risico zit er volgens Sederel in dat onbekend onbemind maakt. Dat gebrek aan kennis neemt vragen met zich mee. Veel vragen. Wat is biomassa, hoeveel is ervan, is het altijd beschikbaar, hoe gebruik je het, is de kwaliteit constant, hoe transporteer je het, is het wel écht duurzaam, blijft de prijs stabiel, en hoe krijg ik een leveringscontract voor twintig jaar? “Veel van die vragen zijn goed te beantwoorden, bijvoorbeeld door met lokale biomassa te werken of de import te laten verzorgen door een gerenommeerde partij. Maar je moet er altijd serieus werk insteken en alles dichttimmeren voordat je aan de slag kunt met groene grondstoffen.”

Een ander aandachtspunt zijn de technische risico’s, en daar komt het belang van pilot- en demofabrieken om de hoek kijken. “Uit ervaring weet ik dat je bij het opschalen net zoveel leert als daarvoor. Want wat op labschaal lekker ging, geeft op grotere schaal opeens praktische problemen. Je katalysator wordt minder actief, de reactor vervuilt, of een pijp raakt verstopt. Daar moet je allemaal doorheen, en dat doe je door pilots en demonstraties.” De heilige graal daarbij is voorspelbaarheid, iets waar je achter komt door pilots maandenlang vrijwel continu te laten draaien. Dat is een kostbare exercitie, maar je kunt niet zonder. Een stabiel proces en een kwalitatief product zijn essentieel voordat je een commerciële fabriek bouwt. “Die vervolgstap kost vaak al snel 50 miljoen euro. Gaat het dan fout, dan doet dat veel pijn.” Het laatste risico wat je met pilots wilt wegnemen, gaat over de veiligheid. Tijdens de opschaalfase kom je er namelijk achter of je het proces écht onder controle hebt. “Kun je de warmte afvoeren? Kan er iets exploderen? Derisken is een heel belangrijk onderwerp. Door pilots word je daarin steeds kundiger. Je kunt niet zonder.”

Extra hulp

Terug naar het overzicht met alle innovatieve projecten, in grootte variërend tussen labschaal (kostprijs van 1 à 2 miljoen euro), pilotplant (rond de 10 miljoen euro), demofabriek (vanaf de 25 tot 50 miljoen euro) en commercieel. De beleidsgroep Innovatie van de VNCI (met daarin de technische leiders van de Nederlandse chemie) maakte deze om duidelijker krijgen welke innovaties in de pijplijn zitten. Sederel start direct met een disclaimer als hem gevraagd wordt dit van context te voorzien: het zal nooit volledig zijn. Enerzijds omdat bijna wekelijks nieuwe initiatieven ontstaan, anderzijds omdat sommige projecten uit de publiciteit worden gehouden. Het overzicht maakt desondanks goed duidelijk wat er wel en niet schaalt. “In welke hoek zie je dat een labproject naar commercieel gaat? Waar niet? En waar zitten de uitdagingen om dat alsnog te realiseren?”

Om het schema te maken, deelde de makers projecten in negen fasen van volwassenheid aan, variërend van papieren ideeën tot commerciële installaties. Al snel werd duidelijk dat alle begin juist makkelijk is. “Op het lab is het meestal vrij simpel. Een pilot gaat ook nog wel. Maar op demoschaal moet je echt in buidel tasten, terwijl bij commerciële flagship-projecten soms extra hulp nodig is.” Die extra hulp kan bijvoorbeeld van de overheid komen, waardoor de huidige formatieperiode het verschijnen van het overzicht extra relevant maakt: welke hulp is nodig, en hoe is dat realiseerbaar?

Toonaangevend

vnci-cm-toekomst-cover

Sederel en zijn collega’s waren, na afronding van het overzicht, ten eerste vooral positief verrast over de vele en gevarieerde projecten. Uit de vervolganalyse welke projecten het beste schalen, blijken de grootste kanshebbers gebruik te maken van organic waste (een mooie term voor onder meer huishoudelijk en groen afval), zoals Waste2Aromatics, Pulp2Value en Waste2Chemicals. Vooral de aangekondigde Waste2Chemicals-fabriek van AkzoNobel in Rotterdam, met een capaciteit van 100 duizend ton, bewijst dat deze aanpak echte potentie heeft. Dat komt onder meer door de lage prijs voor de ‘grondstof’ afval. “Lukt het de sector om op grote schaal organic waste om te zetten in chemicaliën, dan heb je de nieuwe chemie in handen.”

Wel zet Sederel hier nog enkele kritische kanttekeningen bij. “Hoeveel van dergelijk afval is er straks beschikbaar, nu afval steeds vaker gescheiden ingezameld wordt? Kun je het transporteren? En wat is de kwaliteit hiervan?” Bovendien moet je concurreren met goedkope fossiele concurrenten, zoals de productie van methanol via grote, afgeschreven installaties die kolen vergassen. “Deze projecten kunnen toonaangevend zijn, maar er is wel hulp bij nodig om zo’n first of a kind-fabriek te bouwen. Pas als je voldoende schaal hebt, kun je volledig concurreren met die bestaande fabrieken.”

Andere kansrijke methodes zijn die van chemische omzettingen (zoals bij Avantium en BioBTX, die beide groene grondstoffen omzetten naar normale producten zoals plastics) en geavanceerde recycling, zoals van plastic afval naar nieuwe grondstoffen. Minder enthousiast is Sederel over de trage ontwikkeling van industriële non-food processen via algen en wieren, onder meer vanwege de lastige opschaling: een verdubbeling van capaciteit betekent ook een verdubbeling van (de van zichzelf al zeer hoge) kosten, terwijl bij chemische reactoren een productieverdubbeling ‘slechts’ een factor 1,4 duurder is. “Met KLM vliegen op algenolie, dat gaat hem dus voorlopig niet worden. Ik ga dat op mijn leeftijd niet meer meemaken.”

Uitfaseren

Maar hoe kansrijk sommige projecten ook zijn, er liggen ook voor hen nog altijd veel gevaren op de loer. Sommige daarvan zijn lastig te tackelen, zoals de kosten van grondstoffen (die afhankelijk zijn van de wereldmarkt) of de grootte van de vraag naar biobased producten (die moeilijk te sturen valt). Maar op andere vlakken is hulp juist wél mogelijk. Het zou voor veel pilotprojecten bijvoorbeeld heel handig zijn als de overheid zich sterk maakt voor het cascaderen van groene grondstoffen. “Biomassa enkel inzetten voor energie is de verkeerde toepassing. Maar de overheid worstelt nog steeds met niet-energietoepassingen van biomassa. Zo is er nog steeds geen gelijk speelveld met energietoepassingen. De VNCI heeft daarom suggesties gedaan aan het nieuwe kabinet, onder meer via de Biomassa 2030-visie. En met GroenLinks en D66 zijn er twee partijen die er een andere visie op nahouden van het vorige kabinet. Persoonlijk ben ik daarom hoopvol.”

Als de overheid gaat cascaderen, dan moet daar bijbehorend beleid en een stimulerend instrumentarium voor komen. “Zij heeft nu eenmaal als taak om te helpen milieubelastende processen uit te faseren. Want verscherp je regelmatig de eisen van wat je naar de grond en lucht mag uitstoten, dan faseer je belastende processen via handhaving vanzelf uit. Dat biedt kansen voor biobased projecten, want die werken met milieuvriendelijkere stoffen.” En ja, dat kan betekenen dat de bijbehorende industrie verdwijnt of naar een coulanter land verhuist, begrijpt Sederel. “Maar strengere regels kunnen ook veel innovatie teweegbrengen en voor nieuwe ontdekkingen zorgen. Zo kun je jezelf als sector vernieuwen.”

Toekomstbeeld

Dat neemt niet weg dat bedrijven zelf het voortouw moeten nemen om een nieuwe technologie te laten slagen, vindt Sederel. “Die moeten het willen en bereid zijn om risicodragend te investeren.” Maar áls iets succesvol blijkt, dan zou het erg handig zijn als de overheid meehelpt om zo’n first of a kind-fabriek te bouwen die zorgt voor een vliegwieleffect. “Dat kan via subsidies of garantstellingen voor de financiële risico’s. Met geld dus, zodat bedrijven en overheden samen investeren. Bovendien kan de overheid helpen bij wet- en regelgeving. Dan kun je denken aan vergunningen, maar ook aan het wegnemen van barrières.” Sederel doelt daarbij onder meer op de vele beperkingen rondom afval. Dat mag soms de land- of provinciegrens niet over. “En dat vergroot het risico op een tekort aan beschikbare hoeveelheid.”

Mocht het lukken om de beloftevolle projecten uit te bouwen tot serieuze spelers, dan schetst Sederel het toekomstbeeld waarin fossiele, groene en circulaire grondstoffen naast elkaar de chemie bevoorraden. “De ambitie van de VNCI voor 2030 is dat 15 procent van de grondstoffen biobased is en 10 procent circulair.” Fossiel blijft daarbij van groot belang. “We hebben momenteel 650 miljoen ton chemicaliën per jaar nodig, en de sector groeit alleen maar. Met alleen circulair of biobased komen we er dan niet.”

Pilot in de praktijk: Bio-PET uit BioBTX

In Emmen staat een demofabriek voor biobased PET-plastic op stapel, vertelt aandeelhouder en bestuurder Cor Kamminga van BioBTX. Deze fabriek is een initiatief van drie partijen: Cumapol, SunOil en BioBTX. BioBTX start eind dit jaar in Groningen met een pilotplant om bio-aromaten uit ruwe glycerine van SunOil te halen. Uit deze mix wordt vervolgens xyleen gehaald, die de geplande demofabriek in Emmen gebruikt om groen plastic te maken.

De drie partijen doen momenteel verder onderzoek naar de economische haalbaarheid van de demofabriek. Tegelijkertijd werkt BioBTX aan zijn pilotplant (capaciteit: 20 tot 40 kilo biomassa input per uur) waarin schaal- en procestechnologie geoptimaliseerd worden. De demofabriek die daaruit volgt kan anderhalve ton input per uur verwerken (goed voor tonnen ‘groene’ PET per jaar). Met deze demofabriek is al gauw een investering van 10 à 20 miljoen euro gemoeid.

Natuurlijk speelt ook voor Kamminga geld een belangrijke rol of alles door kan gaan. Qua concurrerend vermogen van de demofabriek is hij hoopvol. “Zelfs met een olieprijs van 50 tot 60 dollar per vat olie kunnen wij competitief bio-PET maken. Niet voor plastic flessen, want daar is de prijs te laag voor. Maar wel voor nichemarkten, zoals dikwandige containers voor cosmetica.”

Lastiger wordt het om de benodigde 10 tot 20 miljoen euro voor de bouw van de demofabriek te vinden. “Een private investeerder wil natuurlijk zijn geld terugverdienen.” Volgens Kamminga is dit een probleem waar de hele biobased economy mee kampt: de kostprijs voor relatief kleine productiebatches is al gauw hoog, wat vraagt om een heel ander systeem van financiering. De overheid kan hierbij een belangrijke rol spelen, volgens het principe van ‘put your money where your mouth is’. “Zij moet niet alleen zeggen dat de biobased economie geweldig is, maar ook daadwerkelijk iets te bieden hebben, zoals via garantiestellingen. In dat soort facilitaire zaken zie ik veel mogelijkheden. Ik wil daarom graag met de overheid praten om te kijken wat zij kan doen.”

Beloftevolle ontwikkelingen

Uit het overzicht licht Willem Sederel namens de Beleidsgroep Innovatie van de VNCI vier beloftevolle ontwikkellijnen toe:

  1. Van organisch afval naar chemische producten: “Stromen met negatieve of geringe waarde worden via groene chemie omgezet in waardevolle bouwstenen voor nuttige producten.”
    Voorbeelden: ChainCraft (groente- en fruitresten fermenteren tot natuurlijke vetzuren) en Waste2Chemicals van AkzoNobel/Enerkem (plastic afval omzetten naar synthesegas en methanol)
  2. Van suikers naar furanen: “Een goed voorbeeld van slimme en optimale keuze van een biobased bouwsteen met hoge koolstofefficiëntie en nieuwe functionaliteiten.” Voorbeeld: Furaandicarbonzuur (onderdeel van PEF) van Avantium, Synvina en Corbion
  3. Vanuit houtachtige biomassa grondstoffen winnen via bioraffinage: “Zowel lokaal beschikbare als geïmporteerde reststromen lignocellulose komen binnen in onze diepzeehavens, waar ook chemische clusters zijn.”
    Voorbeelden: Bioforever (houtafval omzetten naar ethanol en buthanol), Zambezi van Avantium (hout naar glucose) en Redefinery (houtpellets naar suikers en lignine)
  4. Via circulaire economie hoogwaardige grondstoffen recyclen: “Geen laagwaardige toepassingen van gemengde polymeerstromen, maar concurreren met virgin plastics, zoals gebeurt in de PET-fles van Bar-le-Duc en voor automotive.”
    Voorbeelden: Morssinkhof rPET (garens uit plastic) en Quality Circular Polymers (kwalitatief plastic uit plastic afval)

VNCI pleit voor investeringsbank

Grootschalige demoprojecten, pilotplants en nieuwe fabrieken zijn noodzakelijk om nieuwe duurzame productietechnieken op te schalen, in de markt te zetten én om banen in Nederland te creëren. Maar zonder risico-afdekking door de overheid, komen de benodigde honderden miljoen voor deze initiatieven niet beschikbaar. Dat schreef de VNCI eind maart in haar brief aan Edith Schippers, informateur van het nieuw te vormen kabinet. De belangenvereniging pleit daarom voor de oprichting van een nationale investeringsbank.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *