Bedrijfsleven enthousiast over CIN-meldsysteem: Rotterdam geeft goede voorbeeld

chemie-magazine-cin-meldingen-kopSoms begin je aan een verhaal en blijkt je insteek helemaal niet te kloppen. Dat gebeurde toen ik een analyse maakte van de zogeheten CIN-meldingen in het Rotterdamse havengebied. Want waar ik dacht te kunnen achterhalen welke bedrijven het vaakst incidenten kennen, eindigde ik met de conclusie dat Rotterdam misschien wel ’s werelds beste veiligheidssysteem voor de industrie heeft. Het resultaat verscheen in Chemie Magazine, het maandblad van de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie.

Bedrijfsleven enthousiast over CIN-systeem

Rotterdams meldsysteem geeft goede voorbeeld

Van milieudienst DCMR tot bedrijven als Shell, Vopak en ExxonMobil: iedereen is enthousiast over het CIN-systeem voor het melden van ongewone voorvallen in de regio Rijnmond. Ondertussen blijft er in de rest van Nederland nog veel te verbeteren.

Tekst: Inge Janse

chemie-magazine-cin-meldingen-header

Waar voor veel chemiebedrijven het melden van ongewone voorvallen complex is (zie kader), kent Nederland één positieve uitzondering: het Centraal Incidenten Nummer (CIN)-systeem van de regio Rijnmond, inclusief de Rotterdamse haven. Via één loket kunnen bedrijven vrijwel al hun incidenten (van kleine lekkages tot grote calamiteiten) doorgeven en daarmee alle hulpdiensten informeren. Zowel omgevingsdienst DCMR Milieudienst Rijnmond en Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR) als Vopak, Shell en ExxonMobil (de top 3 van melders in deze regio) zijn daarom enthousiast over het systeem.

Jolanda Trijselaar, directielid bij de VRR, legt uit wat het CIN-systeem uniek maakt. Rijnmond is namelijk het enige gebied met een centraal incidentennummer, en dat al meer dan twintig jaar, vertelt de verantwoordelijke voor de industriële veiligheid bij de VRR. “Brandweer, politie, DCMR, Havenbedrijf en Rijkswaterstaat zitten bij elke CIN-melding met elkaar in een conferencecall. Zo kunnen zij direct inschatten of de situatie voor hen om actie vraagt.” Ze benadrukt dat bij de meeste meldingen geen actie nodig is. “Maar is er echt iets aan de hand, dan kun je er snel heen, weet je wat er aan de hand is en hebben alle diensten dezelfde informatie.”

Ze krijgt bijval van Maarten de Hoog, directielid bij de DCMR. “Het is uniek dat alle partijen direct betrokken zijn. Dat wordt in andere veiligheidsregio’s niet gedaan. Ook kunnen we via de bedrijfsvergunning direct zien welke stoffen bij een bedrijf liggen opgeslagen, waardoor we weten hoe gevaarlijk de situatie is en of er ontruimd moet worden.”

Te weinig credits

Hetzelfde enthousiasme klinkt vanuit het bedrijfsleven. Zo beschrijft Vopak Nederland, met 40 van de 366 CIN-meldingen in 2015 verantwoordelijk voor het grootste aandeel, het systeem als ‘geweldig’. Het bedrijf publiceert bijvoorbeeld alle meldingen direct op zijn website, meldt Jan Bert Schutrops, Algemeen Directeur bij Vopak Nederland. “Wij merken dat we daar heel veel vertrouwen door hebben gewonnen. Als je zelf zegt wat er is gebeurd, leiden incidenten niet tot speculatie.” Vroeger was dat wel anders: “Dan belden burgers met de melding ‘ik heb gehoord dat…’.” Schutrops betitelt niet-transparant zijn over incidenten als ‘echt heel kwalijk’. “Dan ga je verliezen als bedrijf. Dat moet je echt niet willen.”

Dat Vopak koploper is met 11 procent van alle CIN-meldingen, komt volgens de directeur simpelweg omdat het ook het grootste bedrijf is. “De Rotterdamse haven slaat 450 miljoen ton op en over. Wij doen ongeveer 24 procent van alle natte bulk daarvan, het meeste van alle bedrijven hier.” Bovendien hanteert Vopak een zeer liberaal meldingssysteem. “Onze afspraak is: altijd overdrijven, nooit onderdrijven. Want als een brand of ongeval erger is dan je denkt, dan ben je te laat en wordt het een calamiteit.” Medewerkers worden daarom expliciet aangemoedigd om problemen door te geven. “Een operator moet nooit op zijn donder krijgen omdat hij zoiets zegt. Sterker nog: hij moet daarvoor een compliment krijgen.”

Schutrops vindt dat het CIN-systeem alle lof verdient. “Het niveau en de professionaliteit van dit systeem, daar kan de rest van de wereld een puntje aan zuigen.” Volgens de Vopak-directeur geeft Nederland zichzelf daar alleen te weinig credits voor. “Vertel me maar: in welk industrieel havengebied is het beter geregeld dan hier?” Dat wil niet zeggen dat het niet beter kan. “Er is altijd nog wel wat te wensen over. Maar we hebben het hier echt goed voor elkaar. Daar ben ik ongelofelijk van overtuigd.”

Ongerustheid vermijden

Ook Shell Pernis, de een na grootste melder, doet liever te veel dan te weinig meldingen. “We willen dat elke medewerker een gebeurtenis die als incident bestempeld kan worden, deze ook meldt”, meldt zijn woordvoerder. Daar zijn twee redenen voor: enerzijds uit voorzorg, zodat er zo snel mogelijk actie kan worden ondernomen, anderzijds als bron van informatie over wat er speelt op de site. “Veelvuldig en laagdrempelig melden is ons bewuste beleid. Daar sturen we op aan, zodat medewerkers zich daar comfortabel bij voelen.”

Shell interpreteert de top-3-notering daarom als een positief gegeven. “Het zegt iets over onze veiligheidscultuur, niet over de vraag of het hier veilig is. Zeker bij Shell Pernis, de grootste raffinaderij van West-Europa, zou je je pas zorgen moeten maken als er weinig meldingen zijn. We zijn daarom niet bang voor veel meldingen, want die informatie is nodig om continu te verbeteren.”

ExxonMobil, nummer 3 op de meldingslijst, meldt zoveel mogelijk ongewone voorvallen: voorzien en onvoorzien, groot en klein, alles om hulpdiensten zo snel mogelijk te informeren, mocht er echt iets aan de hand zijn. “Dit verklaart het aantal gemelde incidenten over de jaren aan DCMR”, legt een woordvoerder uit. “Wij hanteren een laagdrempelig meldingsbeleid en stimuleren onze mensen uit voorzorg om afwijkingen direct te melden. Dat leidt tot relatief veel meldingen van, veelal voorziene, voorvallen.” Meestal is hierbij geen hulp nodig van externe hulpdiensten. “Ons doel is natuurlijk om elk incident te vermijden, maar we zijn voorbereid op incidenten als ze zich voordoen.”

Ook bij ExxonMobil zijn de vele meldingen dus eerder een pre dan een con: “Tijdig en correct melden is een teken van een goed ingebed besef van het belang van veiligheid.” Mocht het daarbij om een groot probleem gaan dat ook buiten de poorten te merken is (via brand, geur of geluid), dan communiceert het bedrijf daar direct over. “Zo proberen we elke vorm van ongerustheid onder omwonenden te vermijden.”

Hoe zit het in de rest van Nederland?

Terwijl regio Rotterdam één meldingsloket kent waar de betrokken (regionale) instanties op zijn aangesloten, zit de rest van de Nederlandse chemie met een wirwar aan systemen. Peter Bareman, hoofd Veiligheid, Gezondheid en Milieu van de VNCI, geeft als voorbeeld een lekkage met een tankauto tijdens het lossen op een industrieterrein, inclusief arbeidsongeval en ernstige gevolgen. Dat moet je namelijk melden bij vier diensten: de regionale Omgevingsdienst, de landelijke Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), de Inspectie SZW én via 112 bij de hulpverleningsdiensten. Bovendien verschilt de meldplicht per bedrijf en systeem, dus alles is situatieafhankelijk.

Dat komt, weet Bareman, omdat ieder ministerie en beleidsdomein zijn eigen systeem heeft, met het regionale CIN-systeem als positieve uitzondering. Die variatie in systemen en methodes ziet Bareman terug in de resultaten van de jaarlijkse VNCI Responsible Care-enquête. “Sommige bedrijven melden vanwege de eisen van het bevoegd gezag elke gemorste druppel, terwijl een ander bedrijf met drempelwaardes werkt die in de vergunning zijn vastgelegd. Dat maakt het moeilijk om de resultaten te vergelijken.”

Die complexiteit blijkt uit ook het rapport ‘Staat van de Veiligheid majeure risicobedrijven 2015’, dat begin juli is gepubliceerd door het coördinerend BRZO Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Hierin staat onder meer dat Chemelot in 2015 meer meldingen deed dan voorheen, terwijl het aantal incidenten gelijk bleef. Wat bleek: het chemiecomplex meldt sinds vorig jaar via een andere classificatie, en dus vaker. Bareman pleit er daarom stevig voor om elke melding ook van een duiding te voorzien, inclusief genomen actie door het bedrijf. “Was het gelijk een code rood, of maakte het bedrijf gewoon een melding om transparant te communiceren met zijn buren en de overheid?”

Wat de meldplicht verder compliceert, is de zogeheten transparantieparadox: hoe transparanter chemiebedrijven zijn, hoe meer informatie de overheid in principe heeft om bestraffend op te treden. “Melden van ongewone voorvallen is ongelofelijk belangrijk, want het draagt bij aan het leren en verbeteren van de veiligheidsprestaties. Maar als meldingen juist als toezicht- en handhavingsmiddel functioneren, dan kan het averechts werken.”

Om die paradox op te lossen, moeten chemiebedrijven erop kunnen vertrouwen dat meldingen altijd op een goede manier behandeld worden. Aan de kant van de overheid hoopt Bareman daarom op één overheidsloket voor alle meldingen, zeker als het om BRZO-bedrijven gaat. Ook meer duidelijkheid over wat er precies wel en niet gemeld moet worden (bijvoorbeeld aan de hand van de door de chemische industrie ontwikkelde ongevalsclassificaties) strekt tot de aanbeveling. Ter inspiratie verwijst hij naar de goede praktijken in de nucleaire industrie (dat internationale afspraken kent) en luchtvaartsector. Binnen die laatste geldt de ‘no blame culture’: melden van fouten wordt gestimuleerd vanwege hun leereffect, terwijl er niet direct bestraffend wordt opgetreden. “Zo’n systematiek en cultuur zouden wij ook moeten hebben.”

Mocht dit alles lukken, dan denkt Bareman dat er ook meer lering getrokken kan worden uit de data. “In eerste instantie kan het bedrijf zelf kijken wat het kan leren, maar de data kunnen ook gedeeld worden binnen de sector om er leermomenten uit te halen. Ook de overheid kan goede analyses maken. Zo krijg je een platform voor kennisuitwisseling.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *